wetzoeker

Algemene bepalingen Verdrag betreffende werk in de visserijsector

1. Voor de toepassing van deze Bijlage:

a. wordt verstaan onder „nieuw vissersvaartuig” een vaartuig waarvoor:

i. het contract voor de bouw of een ingrijpende verbouwing is gesloten op of na de datum van de inwerkingtreding van het Verdrag voor het desbetreffende Lid; of

ii. het contract voor de bouw of een ingrijpende verbouwing is gesloten voor de datum van de inwerkingtreding van het Verdrag voor het desbetreffende Lid en dat drie jaar of meer na die datum wordt opgeleverd; of

iii. bij ontbreken van een bouwcontract op of na de datum van de inwerkingtreding van het Verdrag voor het desbetreffende Lid:

– de kiel wordt gelegd, of

– de bouw identificeerbaar met een bepaald vaartuig aanvangt, of

– is aangevangen met de assemblage, bestaande uit ten minste 50 ton of 1 procent van de geschatte massa van alle bouwmaterialen, naargelang van welke van beide het minst is;

b. wordt verstaan onder „bestaand vaartuig” een vaartuig dat geen nieuw vissersvaartuig is.

2. Het volgende is van toepassing op alle nieuwe, van een dek voorziene vissersvaartuigen, onverminderd de uitzonderingen die in overeenstemming met artikel 3 van het Verdrag van toepassing zijn. De bevoegde autoriteit kan na overleg de vereisten van deze Bijlage ook toepassen op bestaande vaartuigen indien en voor zover zij dat redelijk en uitvoerbaar acht.

3. De bevoegde autoriteit kan, na overleg, afwijkingen van de bepalingen van deze Bijlage toestaan voor vissersvaartuigen die gewoonlijk korter dan 24 uur op zee blijven, indien de vissers niet aan boord van het vaartuig verblijven wanneer het in de haven ligt. Voor dergelijke vaartuigen dient de bevoegde autoriteit erop toe te zien dat er voor de desbetreffende vissers adequate voorzieningen zijn voor rust en maaltijden alsmede sanitaire voorzieningen.

4. Door een Lid uit hoofde van paragraaf 3 van deze Bijlage toegestane afwijkingen worden overeenkomstig artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie gemeld aan het Internationaal Arbeidsbureau.

5. De vereisten voor vaartuigen met een lengte van 24 meter of meer kunnen worden toegepast op vaartuigen met een lengte tussen de 15 en 24 meter, indien de bevoegde autoriteit dit na overleg redelijk en uitvoerbaar acht.

6. Voor vissers werkzaam aan boord van „feeder vessels” zonder passende accommodatie en sanitaire voorzieningen moeten deze accommodatie en voorzieningen beschikbaar zijn aan boord van het moederschip.

7. De Leden kunnen de vereisten van deze Bijlage betreffende lawaai en trillingen, ventilatie, verwarming en klimaatbeheersing, en verlichting ook toepassen op afgesloten werk- en opslagruimten indien dat na overleg passend geacht wordt en geen nadelige invloed heeft op het proces of de werkomstandigheden of de kwaliteit van de vangst.

8. Het gebruik van de brutotonnage als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag is beperkt tot de volgende paragrafen van deze Bijlage: 14, 37, 38, 41, 43, 46, 49, 53, 55, 61, 64, 65 en 67. Indien de bevoegde autoriteit na overleg besluit de brutotonnage (gt) voor deze doeleinden te gebruiken als basis voor de meting:

a. wordt een brutotonnage van 75 aangemerkt als zijnde gelijk aan een lengte (L) van 15 meter of een lengte over alles (LOA) van 16,5 meter;

b. wordt een brutotonnage van 300 aangemerkt als zijnde gelijk aan een lengte (L) van 24 meter of een lengte over alles (LOA) van 26,5 meter;

c. wordt een brutotonnage van 950 aangemerkt als zijnde gelijk aan een lengte (L) van 45 meter of een lengte over alles (LOA) van 50 meter.

Regeling
Verdrag betreffende werk in de visserijsector
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
19-12-2020
BWB-id
BWBV0005397
Versie
2020-12-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl