wetzoeker

Artikel 18 Vredesverdrag met Japan

Aanspraken en eigendom

(a) Erkend wordt, dat het intreden van de staat van oorlog geen afbreuk heeft gedaan aan de verplichting om geldschulden te betalen, welke voortspruiten uit verbintenissen en contracten (met inbegrip van die met betrekking tot obligaties), welke bestonden, en rechten, welke werden verworven, vóór het intreden van de staat van oorlog en welke verschuldigd zijn door de Regering of onderdanen van Japan aan de Regering of onderdanen van een van de Geallieerde Mogendheden aan de Regering of onderdanen van Japan. Evenmin zal het intreden van de staat van oorlog worden beschouwd als afbreuk te doen aan de verplichting om op zichzelf te beschouwen eisen tot schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen of voor persoonlijk letsel of dood, ontstaan vóór het intreden van de staat van oorlog, en welke kunnen worden ingediend of opnieuw worden ingediend door de Regering van een van de Geallieerde Mogendheden bij de Japanse Regering, of door de Japanse Regering bij een van de Regeringen van de Geallieerde Mogendheden. De bepalingen van dit lid zullen geen afbreuk doen aan de rechten toegekend krachtens Artikel 14.

(b) Japan bevestigt zijn aansprakelijkheid voor de vooroorlogse buitenlandse schuld van de Japanse Staat en voor schulden van zedelijke lichamen, waarvan op een later tijdstip verklaard is, dat zij schulden waren van de Japanse Staat, en geeft uitdrukking aan zijn voornemen om zeer spoedig onderhandelingen te openen met zijn crediteuren met betrekking tot de hervatting van de betalingen op deze schulden; de onderhandelingen met betrekking tot andere vooroorlogse aanspraken en verplichtingen aan te moedigen; en dienovereenkomstig het overmaken van geldbedragen te vergemakkelijken.

Regeling
Vredesverdrag met Japan
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
17-06-1952
BWB-id
BWBV0005388
Versie
1952-06-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl