wetzoeker

Nr. II Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag)

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Ik heb de eer U de ontvangst te bevestigen van Uw brief van heden, waarvan de tekst in Nederlandse, vertaling als volgt luidt:

„In de loop der onderhandelingen die heden hebben geleid tot de ondertekening van het Verdrag tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, heb ik U erop gewezen dat de mogelijkheid, dat er een nieuwe verbinding van Delfzijl met het hoofdvaarwater tot stand wordt gebracht, aan Duitse zijde, met name in kringen van de haven van Emden, een zekere ongerustheid heeft gewekt. Het werd daarom nuttig geoordeeld deze ongerustheid tot onderwerp te maken van een gedachtenwisseling tussen vertegenwoordigers van het „Land” Nedersaksen als eigenaar van de haven van Emden en het Havenschap Delfzijl, welke gedachtenwisseling op 11 juni 1959 tot de hiernavolgende gemeenschappelijke verklaring heeft geleid:

„1. De vertegenwoordigers van de beide havenbesturen zullen tenminste eenmaal per jaar bijeenkomen om elkaar op de hoogte te stellen van de voorgenomen investeringen en om andere vraagstukken van het havenbedrijf der beide havens te bespreken teneinde de capaciteit van hun havens overeenkomstig hun geografische ligging zo goed mogelijk te benutten en investeringen die in strijd zouden zijn met een zinvolle bedrijfs- en verkeerspolitiek te vermijden.

2. Zij gaan daarbij enerzijds uit van de bestaande taak van Emden als voorzieningshaven voor de plaatselijke industrie en als een speciale haven voor erts en steenkool van de Bondsrepubliek Duitsland, en anderzijds van de bestaande taak van Delfzijl als voorzieningshaven voor de plaatselijke industrie, voor de provincie Groningen en de overige delen van Nederland, en achten het noodzakelijk, alle maatregelen achterwege te laten, die afbreuk zouden kunnen doen aan deze natuurlijke taakverdeling tussen beide havens en de verdere vervulling van hun functies. Zij zullen met name in hun havens geen erts en steenkool overslaan, die voor het nationale achterland van de andere haven bestemd zijn of daarvan, afkomstig zijn.”

Onder verwijzing naar deze verklaring en naar de artikelen 1 en 4 van het Eems-Dollardverdrag heb ik de eer U mede te delen, dat mijn Regering uitdrukking geeft aan haar instemming met deze verklaring, waarbij zij van het volgende uitgaat:

a. De verklaring heeft uitsluitend betrekking op de verhouding tussen de havens Emden en Delfzijl doch raakt verder op geen enkele wijze de algemene havens- en verkeerspolitiek der beide Regeringen, in het bijzonder de rol van deze beide havens in verhouding tot derde havens.

b. Punt 2 van de verklaring geldt eerst met ingang van het tijdstip waarop een nieuwe verbinding tussen Delfzijl en het hoofdvaarwater in gebruik wordt genomen.

c. De verklaring kan door de ondertekenaars in het kader van de samenwerking waartoe zij hebben besloten worden aangevuld en door middel van verdere overeenkomsten aan de toekomstige ontwikkelingen worden aangepast, voor zover de twee ondertekenaars dit dienstig achten.”

Ik heb de eer U mede te delen, dat ook mijn Regering uitdrukking geeft aan haar instemming met de verklaring van 11 juni 1959 en dat zij met de inhoud van Uw brief instemt.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Regeling
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag)
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-07-1978
BWB-id
BWBV0005343
Versie
1978-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl