Artikel V Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden
Overeengekomen aanbevelingen voor de regeling van Duitse schulden met middellange en lange looptijd uit particuliere kapitaaltransacties
1 Hoofdsom
De uitstaande hoofdsom wordt niet gereduceerd.
2 Schulden in buitenlandse valuta met goud-clausules
(a) Gouddollars of Zwitserse goudfrancs:
Schulden, luidende in gouddollars of Zwitserse goudfrancs worden omgerekend op basis van:
1 gouddollar is gelijk 1 U.S.-$ en 1 Zwitserse goudfranc is gelijk 1 Zwitserse franc. De nieuwe overeenkomsten luiden in courante U.S.-$ of Zwitserse francs.
(b) Andere valuta's met goud-clausules:
Andere schulden met goud-clausules (uitgezonderd in Duitse valuta luidende schulden met goud-clausules - zie 3 hieronder) zijn alleen betaalbaar in de valuta van het land, waarin de lening opgenomen is of de uitgifte heeft plaatsgevonden (verder genoemd valuta van uitgifte). Het verschuldigde bedrag zal worden berekend als de tegenwaarde van een bedrag in U.S.-$ volgens de wisselkoers, geldend op het tijdstip, waarop het bedrag betaald moet worden. Dit dollarbedrag wordt verkregen door het nominale bedrag van de schuld in de valuta van uitgifte om te rekenen in U.S.-$ tegen de wisselkoers, geldend op het tijdstip van de opneming of uitgifte van de lening. Het aldus berekende bedrag in de valuta van uitgifte mag echter niet lager zijn dan indien het zou zijn berekend volgens de wisselkoers, geldend op 1 Augustus 1952.
3 Schulden in Duitse valuta met goud-clausules
(a) Overeengekomen is, dat dergelijke in goudmarken of Rijksmarken met goud-clausule uitgedrukte geldvorderingen uit kapitaalverkeer en hypotheken, die een specifiek buitenlands karakter dragen, zullen worden omgerekend in Duitse mark in de verhouding 1 : 1.
(b) De definitie van de criteria voor het begrip „specifiek buitenlands karakter” bij dergelijke geldvorderingen zal het onderwerp vormen van verdere onderhandelingen (zie Bijlage VII). Beide partijen behouden zich het recht voor, hun houding nader te bepalen ten aanzien van de vraag, in welke gevallen en op welke wijze het bovenbedoelde beginsel kan worden toegepast. Aan de Duitse delegatie wordt overgelaten te beslissen op welke wijze de oplossing, die zou worden gevonden, kan worden gevoegd in het kader van de Duitse wetgeving inzake de munthervorming en inzake de „Kriegs- und Nachkriegslastenausgleich”.
(c) Bovenbedoelde onderhandelingen tussen een Duitse delegatie en de vertegenwoordigers van de crediteuren zullen niet later dan 31 October 1952 plaats vinden.
4 Achterstallige renten
Behoudens de bepalingen in punt 6 zullen twee derden van de tot 1 Januari 1953 niet-betaalde renten worden geconsolideerd, en één derde geschrapt. Deze geconsolideerde renten vormen tezamen met de nog niet terugbetaalde hoofdsom de nieuwe hoofdsom.
5 Nieuwe rentevoet
Behoudens de bepalingen in lid 6 zal de rente lopen vanaf 1 Januari 1953, onverschillig op welke datum de nieuwe overeenkomst volgens de bepalingen van deze Overeenkomst wordt gesloten, en wel tot 75 % van de in de bestaande overeenkomst genoemde rentevoet. De nieuwe lopende rentevoet mag echter niet hoger zijn dan 5¼ % bij in obligaties vervatte schulden en 6 % bij andere schulden. De laagste rentevoet bedraagt 4 %; wanneer in de bestaande overeenkomst een lagere rentevoet dan 4 % is opgenomen, blijft deze gehandhaafd.
6 Rentevoet in gevallen van een echte conversie
Bij schulden, die het voorwerp hebben gevormd van een echte conversie, moet de debiteur, naar zijn keuze, of
(a) alle op 1 Januari 1953 nog niet betaalde en op grond van de bestaande overeenkomst achterstallige renten consolideren en vanaf deze dag rente betalen geheel overeenkomstig de rentevoet van de bestaande overeenkomst, of
(b) de nog niet betaalde renten aldus consolideren en de nieuwe renten aldus betalen, alsof de oorspronkelijke overeenkomst nog van kracht was en de leden 4 en 5 van dit artikel van toepassing waren.
7 Betaling van renten
De renten over het op 1 Januari 1953 aanvangende tijdvak moeten ten minste halfjaarlijks worden betaald. Wanneer de nieuwe overeenkomst op 1 Januari 1954 nog niet is afgesloten, moeten de noodzakelijke aanpassingen worden getroffen, indien van de debiteur niet verwacht kan worden, dat hij alle renten over het tijdvak tussen 1 Januari 1953 en het tijdstip van het afsluiten van de nieuwe overeenkomst ineens betaalt.
8 Betaling van amortisaties
(a) Van 1958 tot 1962 zullen jaarlijks amortisatiebedragen worden betaald ad 1 % van de nieuwe hoofdsom en daarna tot op de vervaldatum ad 2 % van de nieuwe Hoofdsom. De amortisatiebedragen voor elk op het jaar 1958 volgend jaar worden telkens verhoogd met de rente verschuldigd over 1 jaar over alle in de voorafgaande jaren geamortiseerde bedragen, met uitzondering echter van die gedeelten van de schuld, welke zijn geamortiseerd door betalingen als bedoeld sub (d).
(b) Amortisatiebetalingen dienen te geschieden op de dag van de eerste rentebetaling in elk jaar. Valt de dag van de eerste rentebetaling in het jaar 1958 niet op de eerste Januari, dan moet de eerste amortisatiebetaling berekend worden over de periode van 1 Januari 1957 tot de dag van rentebetaling; hetzelfde beginsel geldt, wanneer het percentage van 2 % van toepassing is.
(c) Alle amortisatiebetalingen moeten worden aangewend ter vermindering van de nieuwe hoofdsom. Bij obligaties moeten de amortisatiebetalingen worden aangewend voor aflossing van de obligaties door uitloting a pari of tegen de nominale waarde, tenzij tussen de debiteur en zijn crediteuren anders is overeengekomen.
(d) Zolang de dienst overeenkomstig de nieuwe overeenkomst wordt voortgezet, kan de debiteur tot aanvullende amortisaties overgaan op elke wijze, ook door het kopen van obligaties op de open markt of anderszins.
9 Looptijd van de leningen
In de nieuwe overeenkomsten zullen looptijden van minstens 10 jaar en hoogstens 25 jaar, gerekend vanaf 1 Januari 1953, worden opgenomen. De nieuwe looptijd wordt vastgesteld in overleg tussen de debiteur en zijn crediteuren. De debiteur moet binnen hogerbedoelde grenzen de kortste looptijd aanbieden, welke, rekening houdend met zijn omstandigheden, mogelijk is.
Het is de bedoeling aan industriële debiteuren, banken en kerkelijke organisaties, looptijden van 10 tot 15 jaar, in uitzonderingsgevallen van 20 jaar, toe te staan. Openbare nutsbedrijven en grondstoffenindustrieën mogen de looptijden tot 20 jaar, doch in geen geval tot meer dan 25 jaar, verlengen. Bij niet in obligaties belichaamde schulden moet de normale looptijd 10 jaar bedragen.
10 Terugbetaling van schulden tot een gering bedrag
Wanneer het uitstaande bedrag van een schuld zeer gering of in verhouding tot het bedrag van de oorspronkelijke lening gering is, kan een vroegere terugbetaling en definitieve regeling van het totale bedrag van zulk een verplichting, met inbegrip van achterstallige renten, worden overeengekomen, zonder rekening te houden met de bepalingen van de leden 8 en 9 van dit artikel.
11 Hardheidsclausule
Wanneer ten gevolge van buitengewone omstandigheden - met inbegrip van, echter niet beperkt tot, verlies van vermogenswaarden in Duitsland buiten de Bondsrepubliek en Berlijn (West) - de financiële toestand van een debiteur zo is achteruitgegaan, dat het voor hem onmogelijk en ondoenlijk is een voorstel voor het afsluiten van een nieuwe overeenkomst te doen, overeenkomstig de in deze Overeenkomst neergelegde voorwaarden, dan staat het de debiteur en zijn crediteuren vrij in onderling overleg wijzigingen, die, gezien de bijzondere omstandigheden, noodzakelijk worden geacht, vast te stellen.
12 Garanties
Voorzover geen wettelijke bepalingen zich daartegen verzetten, blijven de in de bestaande overeenkomst met betrekking tot pandrechten, garanties en andere zekerheden ter bescherming van de crediteuren opgenomen bepalingen van kracht; voorzover echter de op grond van de bestaande overeenkomst gestelde zekerheden naar aard en omvang niet meer in overeenstemming zijn met de nieuwe hoofdsom van de schuld of met de bij het afsluiten van de nieuwe overeenkomst bestaande omstandigheden, kan de debiteur een wijziging van de aard en omvang van de zekerheid voorstellen; de zekerheid, voorgesteld door de debiteur, moet echter afdoende en voor de crediteur aannemelijk zijn.
Voorzover de zekerheid verminderd is of een wezenlijke verandering heeft ondergaan, moet de debiteur die aanpassingen aanbrengen, die noodzakelijk zijn om zijn crediteuren minstens de oorspronkelijke graad van zekerheid te verschaffen.
De debiteur moet op wens van de crediteur passende zekerheden geven of andere voor de crediteur aanvaardbare maatregelen ter bescherming nemen.
13 Reserve- en amortisatiefonds
Aangezien de amortisatiebetalingen eerst in het jaar 1958 een aanvang nemen en wel tot het in verhouding lage percentage van 1 %, hetwelk in het jaar 1963 tot slechts 2 % wordt verhoogd, moet de financiële politiek van de debiteur gericht zijn op de vorming van een voldoend sterke liquide financiële positie, teneinde zijn verplichtingen op de vervaldagen na te kunnen komen. Daarom behoort tussen crediteuren en debiteuren over aanvullende overeenkomsten te worden onderhandeld. Deze overeenkomsten kunnen de vorming van reserve- of amortisatiefondsen voor de schulden inhouden; deze fondsen worden gevormd door middel van jaarlijkse bedragen, berekend hetzij als een percentage van de nettowinst vóór de dividendbetaling, hetzij op andere wijze, al naar is overeengekomen.
14 Beschikbaarstelling van de buitenlandse valuta's
De debiteur moet de maatregelen nemen welke volgens de Duitse wetgeving noodzakelijk zijn om de betalingsmiddelen in buitenlandse valuta, die hij nodig heeft om al zijn verplichtingen uit de nieuwe overeenkomst na te komen, te verkrijgen.
15 In gebreke blijven van de debiteur
Onverminderd de in de nieuwe overeenkomst vastgelegde gevolgen van in gebreke blijven kunnen de crediteuren voor de duur van het in gebreke blijven betaling van rente verlangen volgens het in de bestaande overeenkomst genoemde percentage.
16 Wijziging van voorwaarden
Geen bepaling van deze Overeenkomst belet een debiteur, met toestemming van zijn crediteuren, voorwaarden te verkrijgen, welke voor hem gunstiger zijn dan de bepalingen van deze Overeenkomst.
17 Concessies ten gunste van de debiteuren
De crediteuren zijn van mening, dat de voordelen uit de concessies voortvloeiende, en die zij in het kader van deze Overeenkomst doen, ten goede van de debiteuren moeten komen.
- Regeling
- Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-08-1958
- BWB-id
- BWBV0005325
- Versie
- 1958-08-01_0