wetzoeker

Artikel 5 Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

BEPALINGEN BETREFFENDE AUDIOVISUELE WERKEN

1 Voor de toepassing van dit protocol wordt onder coproductie verstaan een audiovisueel werk dat door producenten uit Korea en de EU gezamenlijk wordt geproduceerd en waarin die producenten in overeenstemming met dit protocol hebben geïnvesteerd

1) In Korea worden coproducties erkend volgens een procedure die voor radio- en televisieprogramma’s door de Koreaanse Communicatiecommissie en voor films door de Koreaanse Filmraad wordt afgewikkeld. Deze erkenningsprocedure bestaat slechts uit een technische controle om te zien of de coproductie aan de criteria van lid 6 voldoet. Alle coproducties die aan die criteria voldoen, worden erkend.

.

2 De partijen stimuleren onderhandelingen over nieuwe, en de uitvoering van bestaande, coproductieovereenkomsten tussen een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea. Zij herbevestigen dat de lidstaten van de Europese Unie en Korea financiële voordelen kunnen toekennen aan audiovisuele coproducties, zoals omschreven in bestaande of toekomstige bilaterale coproductieovereenkomsten waarbij een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea partij zijn.

3 In overeenstemming met hun respectieve wetgeving bevorderen de partijen coproducties tussen producenten uit de EU en uit Korea, onder meer door ervoor te zorgen dat voor coproducties aanspraak kan worden gemaakt op hun respectieve regelingen ter bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud.

4 Voor audiovisuele coproducties kan aanspraak worden gemaakt op de EU-regeling voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud zoals bedoeld in lid 3, omdat zij beschouwd worden als „Europese productie” in de zin van artikel 1, punt n) i), van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG of bij latere wijzigingen, met het oog op de in artikel 4, lid 1, en artikel 3 decies, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG of bij latere wijzigingen

2) Wijzigingen van de wetgeving laten de toepassing van lid 10 onverlet.

, bedoelde bevordering van audiovisuele werken.

5 Voor audiovisuele coproducties kan aanspraak worden gemaakt op Koreaanse regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud zoals bedoeld in lid 3, omdat zij voor de toepassing van artikel 40 van de Wet inzake de bevordering van speelfilms en videoproducties (Wet nr. 9676 van 21 mei 2009) of latere wijzigingen daarvan, artikel 71 van de Omroepwet (Wet nr. 9280 van 31 december 2008) of latere wijzigingen daarvan, en het Bericht betreffende de programmaverhouding (Bericht nr. 2008-135 van de Koreaanse Communicatiecommissie van 31 december 2008) of latere wijzigingen daarvan

3) Ibidem.

als Koreaans werk worden beschouwd.

6 Voor coproducties kan aanspraak worden gemaakt op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de audiovisuele coproducties komen tot stand door samenwerking tussen ondernemingen die rechtstreeks of door een meerderheidsaandeel in handen zijn en blijven van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea en/of van onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea;

b. de representatieve directeur(en) of manager(s) van de coproducerende ondernemingen, is (zijn) onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea en kan (kunnen) aantonen dat hij (zij) daar hun wettige verblijfplaats heeft (hebben);

c. voor alle audiovisuele coproducties andere dan tekenfilms is de participatie van producenten uit twee lidstaten van de Europese Unie vereist. Voor tekenfilms is participatie van producenten uit drie lidstaten van de Europese Unie vereist. De financiële bijdrage van de producent of producenten uit elk van die lidstaten van de Europese Unie bedraagt ten minste 10%;

d. de respectieve financiële bijdrage van alle producenten uit de EU samen en van alle producenten uit Korea samen aan een audiovisuele coproductie andere dan een tekenfilm moet ten minste 30% van de totale productiekosten van die coproductie bedragen. Voor tekenfilms moet de respectieve bijdrage ten minste 35% van de totale productiekosten bedragen;

e. de bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen omvat een daadwerkelijke technische en artistieke participatie, waarbij de bijdragen van beide partijen met elkaar in evenwicht zijn. In het bijzonder mag de technische en artistieke bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen bij audiovisuele coproducties andere dan tekenfilms niet meer dan 20 procentpunten afwijken van hun financiële bijdrage en in geen geval meer dan 70% van de totale bijdrage uitmaken. Bij tekenfilms mag de technische en artistieke bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen niet meer dan 10 procentpunten afwijken van hun financiële bijdrage en in geen geval meer dan 65% van de totale bijdrage uitmaken;

f. producenten uit derde landen die het Unesco-Verdrag hebben geratificeerd, mogen, waar dat mogelijk is, voor maximaal 20% in de totale productiekosten en/of de technische en artistieke bijdrage in de audiovisuele coproductie participeren.

7 De partijen herbevestigen dat het recht om voor coproducties aanspraak te maken op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud wederzijdse voordelen meebrengt en dat coproducties die aan de criteria van lid 6 voldoen als Europese/Koreaanse producties in de zin van de leden 4 en 5 worden beschouwd zonder dat verdere voorwaarden dan die van lid 6 worden opgelegd.

8

a. Het recht om voor coproducties aanspraak te maken op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud geldt voor een periode van drie jaar gerekend vanaf de toepassing van dit protocol. Op advies van de interne adviesgroepen zal het Comité voor culturele samenwerking zes maanden voor het verstrijken van die periode in gezamenlijk overleg nagaan of de tenuitvoerlegging van het recht van aanspraak heeft geleid tot een grotere culturele diversiteit en tot een grotere, voor beide partijen voordelige samenwerking inzake coproducties.

b. Het recht van aanspraak wordt met drie jaar verlengd en daarna automatisch telkens met perioden van dezelfde duur, tenzij een van de partijen het recht van aanspraak ten minste drie maanden voor het verstrijken van de aanvankelijke of verlengingsperiode schriftelijk opzegt. Zes maanden voor het verstrijken van elke verlengingsperiode verricht het Comité voor culturele samenwerking een beoordeling zoals die welke onder a) wordt beschreven.

c. Tenzij de partijen anders besluiten, belet opzegging van het recht van aanspraak niet dat coproducties onder de voorwaarden van lid 6 in aanmerking komen voor de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, wanneer de datum van eerste uitzending of vertoning van die coproducties op het respectieve grondgebied van de partijen vóór het einde van de betrokken periode plaatsheeft.

9 Gedurende de tijd dat voor coproducties aanspraak kan worden gemaakt op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, houden de partijen, met name via de interne adviesgroepen, regelmatig toezicht op de uitvoering van lid 6 en stellen zij het Comité voor culturele samenwerking in kennis van eventuele problemen ter zake. Op verzoek van een partij kan het Comité voor culturele samenwerking het recht van aanspraak op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud en/of de criteria van lid 6 aan een nieuw onderzoek onderwerpen.

10 Op voorwaarde dat zij ten minste twee maanden van tevoren hiervan kennis geeft, kan een partij het recht van aanspraak op haar in de leden 4 en 5 bedoelde regeling(en) voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud opschorten indien de rechten die op grond van deze leden aan coproducties zijn voorbehouden negatief beïnvloed worden door een wijziging van de in deze leden bedoelde wetgeving door de andere partij. Voordat zij tot opschorting overgaat, bespreekt en onderzoekt de kennisgevende partij in het Comité voor culturele samenwerking samen met de andere partij de aard en gevolgen van de wetswijzigingen.

Regeling
Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2016
BWB-id
BWBV0005188
Versie
2016-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl