wetzoeker

Artikel 4 Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen

1

(a) Van de inwerkingtreding van dit Verdrag af tot aan de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage, stelt de Bondsregering een gemiddelde maandelijkse bijdrage van 600.000.000,- DM ter beschikking voor het onderhoud van de krijgsmachten.

(b) Van het in lid 1 (a) bedoelde bedrag van 600.000.000,- DM wordt maandelijks een bedrag van 100.000.000,- DM bestemd voor speciale gezamenlijk tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek overeengekomen verdedigingsmaatregelen; dit laatste bedrag omvat tevens uitgaven voor het NAVO infrastructuurprogramma. Betalingen van vergoedingen voor bezettingsschade kunnen er eveneens onder worden begrepen.

(c) De bepalingen van lid 1 (a) en 1 (b) gelden in ieder geval slechts tot 30 juni 1955. Indien de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage na die datum van kracht worden, vinden onderhandelingen plaats tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden over de bijdrage van de Bondsrepubliek tot het onderhoud van de krijgsmachten gedurende de periode van 30 juni 1955 tot aan de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage.

2 Gedurende de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage, stelt de Bondsrepubliek als bijdrage tot het onderhoud van de krijgsmachten een totaal-bedrag van 3.200.000.000,- DM beschikbaar. Deze middelen worden als volgt ter beschikking gesteld:

400.000.000 DM per maand gedurende de eerste twee maanden;

300.000.000 DM per maand gedurende de volgende vier maanden;

200.000.000 DM per maand gedurende de laatste zes maanden.

Indien de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage na 30 juni 1955 in werking treden, zijn deze bepalingen niet van toepassing en vinden onderhandelingen plaats tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden betreffende de bijdrage van de Bondsrepubliek in het onderhoud van de krijgsmachten gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage.

3 De Drie Mogendheden erkennen het recht van de Bondsrepubliek voor te stellen dat de bepalingen van lid 2 van dit artikel opnieuw in overweging worden genomen indien zij van mening mocht zijn dat zulks wordt gerechtvaardigd door de last welke ontstaat als gevolg van de opbouw van de overeengekomen Duitse strijdkrachten. In dat geval onderzoeken de ondertekenende staten alle ter zake dienende factoren en, indien zij tot de slotsom komen dat zulks noodzakelijk is, stemmen zij erin toe bovenstaande bepalingen ten aanzien van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten te wijzigen.

4 Overeenkomstig de geest van artikel 3 van het Noordatlantisch Verdrag is de Bondsrepubliek bereid, na afloop van de in lid 2 van dit artikel genoemde periode, met de andere Regeringen van de landen welke lid zijn van de Noordatlantische Verdrags Organisatie en welke strijdkrachten gestationeerd hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek, te onderhandelen over aangelegenheden met betrekking tot het onderhoud (bijvoorbeeld, goederen en diensten) van die strijdkrachten waarbij de behoeften van de strijdkrachten van de Bondsrepubliek in aanmerking worden genomen.

5 Middelen welke overeenkomstig de leden 1 tot 3 van dit artikel beschikbaar worden gesteld voor de ene periode kunnen, overeenkomstig de bepalingen van lid 6 van dit artikel, gedurende andere perioden worden gebruikt. De Drie Mogendheden hebben tot taak, na overleg met de Bondsrepubliek, de in overeenstemming met dit artikel ter beschikking gestelde bedragen onder de betrokken Mogendheden te verdelen of te herverdelen. De bepalingen van artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op de uitgave van deze middelen behalve voor zover die middelen worden uitgegeven in overeenstemming met de bepalingen van lid 6 (a) van dit artikel.

6 De enige uitgaven welke ten laste kunnen worden gebracht van de in overeenstemming met de leden 1 tot 3 van dit artikel voor het onderhoud van de krijgsmachten ter beschikking gestelde middelen zijn:

(a) bedragen welke zijn uitgegeven uit hoofde van betalingsmachtigingen afgegeven na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor het voldoen aan geldelijke verplichtingen in verband met onroerende goederen, goederen, materialen of diensten welke zijn aangeschaft of besteld door de autoriteiten van de betrokken Mogendheden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten voor zover zodanige bedragen niet gedekt worden door niet-uitgegeven middelen op de begroting inzake de bezettingskosten en de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland welke middelen voor dit doel ter beschikking blijven van de Drie Mogendheden na de inwerkingtreding van dit Verdrag;

(b) bedragen welke zijn uitgegeven uit hoofde van betalingsmachtigingen afgegeven vóór het einde van de in lid 2 van dit artikel genoemde periode binnen het kader van de overeenkomstig artikel 5 van dit Verdrag vastgestelde D.M. begrotingen van de betrokken Mogendheden. Voor zover de in lid 1 van dit artikel genoemde middelen niet volledig zijn gebruikt ter dekking van de betalingsmachtigingen afgegeven voor het einde van de in dat lid genoemde periode, blijven zij gedurende een periode van achttien maanden ter beschikking van de krijgsmachten voor de afwikkeling van verplichtingen waaraan op dat ogenblik nog niet is voldaan en welke ten laste komen van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten. Een overeenkomstige werkwijze wordt toegepast bij de middelen welke overeenkomstig lid 2 van dit artikel ter beschikking zijn gesteld; deze laatste middelen blijven echter nog twaalf maanden na afloop van de betreffende periode ter beschikking van de krijgsmachten; en

(c) bedragen uitgegeven voor andere doeleinden waaromtrent tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden overeenstemming is bereikt.

7 De Drie Mogendheden verplichten zich, voortdurend pogingen in het werk te stellen om te verzekeren dat het saldo van de niet gebruikte middelen niet toeneemt en zo spoedig mogelijk aanzienlijk wordt verminderd. De autoriteiten van de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek werken te dien einde volledig samen en verlenen elkaar bijstand door het uitwisselen van terzake dienende inlichtingen en op alle andere in aanmerking komende wijzen. Onder het saldo van niet gebruikte middelen wordt in dit lid verstaan dat gedeelte van de door de Bondsrepubliek ter beschikking gestelde middelen voor bezettingskosten en begrotingsuitgaven dat niet is uitgegeven met dat deel van de overeenkomstig lid 1 van dit artikel ter beschikking gestelde middelen dat eveneens niet is uitgegeven.

Regeling
Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
11-06-1956
BWB-id
BWBV0004959
Versie
1956-06-11_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl