wetzoeker

Technische Bijlage Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben

1. Registratie

a. De registratie van de locatie van andere dan op afstand gelegde mijnen, van mijnenvelden, bemijnde gebieden, valstrikmijnen en andere mechanismen, geschiedt in overeenstemming met de volgende bepalingen:

i. de locatie van de mijnenvelden, bemijnde gebieden en de gebieden waar valstrikmijnen en andere mechanismen zijn geplaatst, dient nauwkeurig te worden aangegeven, gerelateerd aan de coördinaten van ten minste twee referentiepunten en door middel van de geraamde omvang van het gebied waar deze wapens liggen met betrekking tot die referentiepunten;

ii. kaarten, diagrammen of andere gegevens dienen zodanig te worden opgesteld dat zij de locatie van mijnenvelden, bemijnde gebieden, valstrikmijnen en andere mechanismen aangeven, gerelateerd aan de referentiepunten; deze gegevens dienen tevens hun omtrek en omvang aan te geven; en

iii. ten behoeve van de opsporing en het ruimen van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen dienen kaarten, diagrammen of andere gegevens volledige informatie te bevatten inzake type, nummer, plaatsingsmethode, type ontstekingsinrichting en levensduur, datum en tijdstip waarop zij zijn gelegd, antihanteermechanisme (indien aanwezig) en andere relevante informatie met betrekking tot alle aldus geplaatste wapens. Steeds wanneer dit mogelijk is, dient het document inzake een mijnenveld de exacte locatie van elke mijn aan te geven, behalve in mijnenvelden met een rijenpatroon, in welk geval de locatie van de rijen voldoende is. De exacte locatie en het werkingsmechanisme van elke gelegde valstrikmijn dienen afzonderlijk te worden geregistreerd.

b. De geraamde locatie en het verspreidingsgebied van op afstand gelegde mijnen dient te worden aangegeven, gerelateerd aan de coördinaten van referentiepunten (doorgaans de hoekpunten) en dient te worden geverifieerd en bij de eerste daarvoor in aanmerking komende gelegenheid, indien mogelijk, op de grond te worden gemarkeerd. Het totale aantal en het type gelegde mijnen, de datum en het tijdstip waarop deze zijn gelegd en de zelfvernietigingstermijn dienen eveneens te worden geregistreerd.

c. Exemplaren van de documenten dienen op een bevelsniveau te worden bewaard dat hoog genoeg is om de veiligheid ervan zo veel mogelijk te kunnen waarborgen.

d. Het gebruik van mijnen die zijn vervaardigd na de inwerkingtreding van dit Protocol is verboden, tenzij zij zijn voorzien van de volgende gegevens, in het Engels of in de nationale taal of talen:

i. naam van het land van herkomst;

ii. productiejaar en -maand; en

iii. serienummer of partijnummer.

Deze gegevens dienen voor zover mogelijk zichtbaar, leesbaar, duurzaam en bestand tegen omgevingsinvloeden te zijn.

2. Specificaties inzake de opspoorbaarheid

a. In de constructie van na 1 januari 1997 geproduceerde antipersoneelmijnen dient een stof of mechanisme te worden opgenomen dat ervoor zorgt dat de mijn kan worden opgespoord met behulp van gangbare technische mijnopsporingsmiddelen en dat een responssignaal afgeeft dat equivalent is aan een signaal van 8 gram of meer ijzer dat een enkele coherente massa vormt.

b. In de constructie van vóór 1 januari 1997 geproduceerde antipersoneelmijnen dient een stof of mechanisme te worden opgenomen – of vóór de plaatsing op een niet gemakkelijk te verwijderen wijze aan deze mijnen worden gehecht – dat ervoor zorgt dat de mijn kan worden opgespoord met behulp van gangbare technische mijnopsporingsmiddelen en dat een responssignaal afgeeft dat equivalent is aan een signaal van 8 gram of meer ijzer dat een enkele coherente massa vormt.

c. Wanneer een Hoge Verdragsluitende Partij van oordeel is dat zij niet onmiddellijk aan het bepaalde onder b kan voldoen, kan zij bij haar kennisgeving van het feit dat zij ermee instemt door dit Protocol te worden gebonden verklaren dat zij de naleving van het bepaalde onder b uitstelt gedurende een periode van ten hoogste 9 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit Protocol. Gedurende deze periode zal zij het gebruik van anti-personeelmijnen die niet aan deze bepalingen voldoen zo veel mogelijk beperken.

3. Specificaties inzake zelfvernietiging en zelfdeactivering

a. Alle op afstand gelegde anti-personeelmijnen dienen zodanig te worden ontworpen en geproduceerd dat niet meer dan 10% van de in werking gestelde mijnen zichzelf niet binnen 30 dagen na de plaatsing vernietigt. Elke mijn dient te zijn voorzien van een aanvullend zelfdeactiveringsmechanisme dat zodanig is ontworpen en geproduceerd dat, in combinatie met het zelfvernietigingsmechanisme, niet meer dan een op de duizend in werking gestelde mijnen 120 dagen na plaatsing nog als mijn functioneert.

b. Alle niet op afstand gelegde mijnen die buiten gemarkeerde gebieden als bedoeld in artikel 5 van dit Protocol worden gebruikt, moeten voldoen aan de onder a bedoelde eisen inzake zelfvernietiging en zelfdeactivering

c. Wanneer een Hoge Verdragsluitende Partij van oordeel is dat zij niet onmiddellijk aan het bepaalde onder a en/of b kan voldoen, kan zij bij haar kennisgeving van het feit dat zij ermee instemt door dit Protocol te worden gebonden verklaren dat zij met betrekking tot vóór de inwerkingtreding van dit Protocol geproduceerde mijnen de naleving van het bepaalde onder a en/of b uitstelt gedurende een periode van ten hoogste 9 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit Protocol. Gedurende deze periode van uitstel:

i. verplicht de Hoge Verdragsluitende Partij zich ertoe het gebruik van anti-personeelmijnen die niet aan deze bepalingen voldoen zo veel mogelijk te beperken; en

ii. voldoet de Hoge Verdragsluitende Partij wat betreft de op afstand gelegde anti-personeelmijnen aan de eisen inzake zelfvernietiging of zelfdeactivering en, wat betreft andere anti-personeelmijnen, ten minste aan de eisen inzake zelfdeactivering.

4. Internationale markering voor mijnenvelden en bemijnde gebieden

Borden die gelijk zijn aan het bijgevoegde en hieronder beschreven voorbeeld moeten worden gebruikt om mijnenvelden en bemijnde zones te markeren, opdat deze door de burgerbevolking kunnen worden gezien en herkend:

a. afmetingen en vorm: een driehoek of vierkant van ten minste 28 cm (11 inches) x 20 cm (7.9 inches) voor een driehoek, en 15 cm (6 inches) per zijde voor een vierkant;

b. kleur: rood of oranje met een gele reflecterende rand;

c. symbool: het symbool waarvan de illustratie in het Aanhangsel staat of een ander symbool dat gemakkelijk herkenbaar is als symbool dat een gevaarlijk gebied aanduidt in het gebied waar het moet worden aangebracht;

d. taal: op het bord moet het woord „mijnen” staan in een van de zes officiële verdragstalen (Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans) en in de hoofdtaal of -talen van dat gebied; en

e. spreiding: de borden moeten rondom het mijnenveld of een bemijnd gebied worden geplaatst op een zodanige afstand dat zij door burgers die het gebied naderen vanaf elk punt kunnen worden gezien.

Regeling
Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
25-09-1999
BWB-id
BWBV0004938
Versie
1999-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl