wetzoeker

II Notawisseling tussen de Nederlandse Regering en de Duitse Regering betreffende de gelding van verdragen

MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

No. 13115

31 Januari 1952.

Mijnheer de Ambassadeur,

Hierbij moge ik Uwer Excellentie de ontvangst bevestigen van Haar brief van heden, waarbij Zij mededeelt, dat de Geallieerde Hoge Commissie voor Duitsland heeft verklaard, dat de hieronder genoemde verdragen van het voormalige Duitse Rijk toepasselijk op en verbindend voor de Bondsrepubliek Duitsland zijn:

1) Overeenkomst tussen Nederland en Pruisen tot regeling der voorwaarden, waarop de consulaire agenten van Pruisen in de voornaamste havens der Nederlandse Overzeese bezittingen zullen worden toegelaten van 16 Juni 1856 alsmede de Verklaring van 11 Januari 1872, waarbij deze Overeenkomst toepasselijk wordt verklaard op de consuls van het Duitse Rijk,

2) Overeenkomst tot regeling van de politie der visserij in de Noordzee buiten de territoriale wateren van 6 Mei 1882, alsmede de Verklaring tot wijziging van § 5 van art. 8 der internationale Overeenkomst van 6 Mei 1882, van 1 Februari 1889,

3) Overeenkomst tussen Nederland, Duitsland en Zwitserland tot regeling der zalmvisserij in het stroomgebied van de Rijn van 30 Juni 1885, alsmede het Slotprotocol van dezelfde datum,

4) Internationale Overeenkomst tot het tegengaan der misbruiken, voortvloeiende uit de verkoop van sterke drank onder de vissers op de Noordzee buiten de territoriale wateren, van 16 November 1887 en daarbijbehorend protocol van 14 Februari 1893 (alsmede proces-verbaal betreffende de nederlegging der acten houdende bekrachtiging van voorzegde Overeenkomst en Protocol van 11 April 1894),

5) Arbitrage- en Verzoeningsverdrag van 20 Mei 1926, met dien verstande, dat, waar in de tekst van het Verdrag gesproken wordt van „Permanent Hof van Internationale Justitie” daarvoor in de plaats moet worden gelezen „Internationaal Gerechtshof” en voor „Volkenbond”, „Organisatie der Verenigde Naties”,

6) Verdrag over de wederzijdse erkenning van naamloze vennootschappen en andere handels-, nijverheids- of financiële vennootschappen van 11 Februari 1907,

7) Verdrag nopens de meting van binnenvaartuigen van 27 November 1925,

8) Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 17 Juli 1905, alsmede de daarbij aansluitende Nederlands-Duitse verklaring van 31 Juli 1909 ter verdere vereenvoudiging van de rechtsbetrekkingen,

9) Verklaring nopens de maatregelen tegen de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes van 15 November 1889,

10) Verdrag tot regeling van het verkeer van gedistilleerd over de grens tussen Nederland en Duitsland van 6 Juni 1910,

11) Overeenkomst tussen de Nederlandse en Duitse Regering nopens de toelating van werknemers, die zich in hun beroep en in de taal verder willen bekwamen, van 22 Februari 1935.

Ik heb de eer Uwer Excellentie mede te delen, dat de Nederlandse Regering er mede instemt, dat bovengenoemde verdragen beschouwd worden als verbindend tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik, Mijnheer de Ambassadeur, U mijn zeer bijzondere hoogachting te betuigen.

(w.g.) STIKKER.

Zijner Excellentie Dr. K. Du Mont,

Ambassadeur der Bondsrepubliek Duitsland

te 's-Gravenhage.

Regeling
Notawisseling tussen de Nederlandse Regering en de Duitse Regering betreffende de gelding van verdragen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
31-01-1952
BWB-id
BWBV0004891
Versie
1952-01-31_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl