wetzoeker

AANHANGSEL II Aanhangsel II (tweede herziening): Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties

Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigde Naties

Bij hun toepassing op de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (hierna te noemen „de Organisatie”) zullen de standaardbepalingen met inachtneming van het hieronder bepaalde van kracht zijn:

1. Artikel V en § 25, lid 1 en 2 (I), van artikel VII zullen eveneens gelden voor de Voorzitter van de Raad van de Organisatie, alsmede voor de vertegenwoordigers van Toegevoegde Leden, met die uitzondering dat elke opheffing van de immuniteit van de Voorzitter krachtens § 16 zal geschieden door de Raad van de Organisatie.

2.

(i) Deskundigen (behalve functionarissen vallend onder artikel VI) die zitting hebben in commissies van, of zendingen vervullen voor de Organisatie, zullen de volgende privileges en immuniteiten worden toegekend voor zover deze noodzakelijk zijn voor een doeltreffende uitoefening van hun functies, met inbegrip van de tijd gebruikt voor reizen in verband met de uitoefening van hun functies in die commissies of bij het vervullen van die zendingen:

(a) immuniteit van persoonlijke arrestatie of van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage;

(b) met betrekking tot door hen in de uitoefening van hun officiële functies gesproken of geschreven woorden of door hen verrichte handelingen, vrijstelling van elke vorm van rechtsvervolging; deze immuniteit zal toegekend blijven ook wanneer de betrokken personen niet langer hun functies in de commissies van de Organisatie uitoefenen of zendingen vervullen voor de Organisatie;

(c) dezelfde faciliteiten met betrekking tot beperking nopens geld of het wisselen van geld en met betrekking tot hun persoonlijke bagage als worden toegestaan aan functionarissen van vreemde regeringen die met een tijdelijke officiële zending zijn belast;

(d) onschendbaarheid van hun papieren en stukken betrekking hebbende op het werk waarmede zij voor de Organisatie bezig zijn, alsmede voor hun verbindingen met de Organisatie, het recht codes te gebruiken en papieren of correspondentie te ontvangen per koerier of in verzegelde postzakken.

(ii) In verband met (d) van 2 (i) hierboven zal het beginsel vervat in de laatste zin van § 12 van de standaardbepalingen van toepassing zijn.

(iii) Voorrechten en immuniteiten worden aan de deskundigen van de Organisatie toegekend in het belang van de Organisatie en niet voor het persoonlijk voordeel van de individuele deskundigen. De Organisatie heeft het recht en de plicht afstand te doen van de immuniteit van een deskundige in elk geval waarin naar haar mening de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg zou staan en van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder de belangen van de Organisatie te benadelen.

(3) De privileges, immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten genoemd in § 21 van de standaardbepalingen worden toegekend aan de adjunct-Directeur-Generaal en de onder-Directeuren-Generaal van de Organisatie.

Regeling
Aanhangsel II (tweede herziening): Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
09-12-1966
BWB-id
BWBV0004774
Versie
1966-12-09_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl