Bijlage V — Grenswaarden voor zwavelemissies en zwavelgehalte Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de verdergaande vermindering van zwavelemissies
Grenswaarden voor zwavelemissies en zwavelgehalte
A. Emissiegrenswaarden voor belangrijke stationaire verbrandingsbronnena)
(i) (MWth)) | (ii) Emissiegrenswaarde (mg SO2/Nm 3)b) | (iii) Ontzwavelingspercentage (%)
1. Vaste brandstoffen (op basis van 6% zuurstof in het rookgas) | 50-100 | 2000
100-500 | 2000-400 (lineaire afname) | 40 (voor 100-167 MWth) 40-90 (lineaire afname voor 167-500 MWth)
>500 | 400 | 90
2. Vloeibare brandstoffen (op basis van 3% zuurstof in het rookgas) | 50-300 | 1700
300-500 | 1700-400 (lineaire afname) | 90
>500 | 400 | 90
3. Gasvormige brandstoffen (op basis van 3% zuurstof in het rookgas)
Gasvormige brandstoffen in het algemeen | | 35
Vloeibaar gemaakt gas | | 5
Gassen met lage caloriewaarde verkregen door vergassing van raffinageresiduen, cokesovengas en hoogovengas | | 800
B. Gasolie | Zwavelgehalte (%)
Dieselolie voor voertuigen voor het wegverkeer | 0,05
Andere typen | 0,2
a) Als richtsnoer stellen de bevoegde instanties voor een installatie met een voor verschillende brandstoffen geschikte verbrandingseenheid waarin tegelijk twee of meer brandstoftypen worden verstookt, emissiegrenswaarden vast rekening houdend met de voor elke afzonderlijke brandstof geldende emissiegrenswaarde als vermeld in kolom (ii), de met elke brandstof gerealiseerde warmtetoevoer en, voor raffinaderijen, de relevante specifieke kenmerken van de installatie. Voor raffinaderijen mag deze gecombineerde grenswaarde in geen geval hoger zijn dan 1700 mg SO2/Nm3.
De grenswaarden gelden met name niet voor de volgende installaties:
installaties waar de verbrandingsprodukten worden gebruikt voor rechtstreekse verwarming, drogen of enige andere behandeling van voorwerpen of materialen, b.v. herverhittingsovens en ovens voor warmtebehandeling;
naverbrandingsinstallaties, d.w.z. alle technische apparatuur die ontworpen is om afgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinstallatie wordt gebruikt;
installaties voor het regenereren van bij het katalytisch kraken gebruikte katalysatoren;
installaties voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
in de chemische industrie gebruikte reactors;
cokesbatterijovens;
windverhilters van hoogovens;
vuilverbrandingsinstallaties
door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
Wanneer een Partij, wegens het hoge zwavelgehalte van de inheemse vaste vloeibare brandstoffen, niet kan voldoen aan de in kolom (ii) vermelde emissiegrenswaarden, dan kan zij de in kolom (iii) aangegeven ontzwavelingspercentages of een grenswaarde van maximaal 800 mg S02/Nm3 (zij het bij voorkeur niet hoger dan 650 mg SO2/Nm3) aanhouden. De Partij meldt deze afwijkingen bij het Implementatiecomité in het kalenderjaar waarin zij worden toegepast.
Wanneer twee of meer afzonderlijke nieuwe installaties op zodanige wijze worden gebouwd dat, rekening houdend met technische en economische factoren, de afgassen daarvan naar het oordeel van de bevoegde instantie via een gemeenschappelijke schoorsteen zouden kunnen worden afgevoerd, dan wordt de door die installaties gevormde combinatie beschouwd als een enkele eenheid.
b) Met mg SO2/Nm3 wordt bedoeld de bij een temperatuur van 273° K en een druk van 101,3 kPa gemeten waarde, gecorrigeerd voor het gehalte aan waterdamp.
- Regeling
- Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de verdergaande vermindering van zwavelemissies
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 05-08-1998
- BWB-id
- BWBV0004644
- Versie
- 1998-08-05_0