wetzoeker

A — ALGEMEEN Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie

ALGEMEEN

1. De Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad heeft op 15 januari 1965 met eenparigheid van stemmen een Aanbeveling tot de drie Regeringen gericht, waarin de Raad - ingevolge de wens, uitgesproken in het verslag van de Commissie voor de wetgeving betreffende het ontwerp-Verdrag tot instelling van een Benelux-Gerechtshof - aan het Comité van Ministers verzocht zo spoedig mogelijk een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om aan de ambtenaren van de Benelux Economische Unie rechtsbescherming te verlenen door de instelling van een ambtenarenrechtspraak.

Tijdens diezelfde vergadering hebben de Regeringen verklaard, dat aan deze Aanbeveling gevolg zou worden gegeven en dat de uitslag van het onderzoek aan de Interparlementaire Raad zou worden medegedeeld.

2. De drie Regeringen menen dat, aangezien de ambtenaren der drie landen een bij de wet geregelde rechtsbescherming genieten tegenover het boven hen gestelde gezag, een daaraan gelijkwaardige bescherming aan personen in dienst van de Benelux Economische Unie niet mag worden onthouden. Dat tot dusverre geen regeling voor die rechtsbescherming is getroffen, is toe te schrijven aan de omstandigheid, dat het apparaat van de Unie aanvankelijk slechts van zeer geringe omvang was en eerst geleidelijk is gegroeid tot zijn huidige ook nog beperkte grootte.

De tegenwoordige toestand is deze, dat voor de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal geen enkele voorziening geldt, welke strekt tot bescherming van hun rechtspositie. Ten aanzien van de overige personen, werkzaam bij het Secretariaat-Generaal, zijn van toepassing de artikelen 27-31 van het personeelsstatuut. Deze bepalingen zijn derhalve vastgesteld op grond van artikel 35, derde lid, van het Unie-verdrag door het Comité van Ministers op voorstel van de Secretaris-Generaal en na advies van de Raad van de Economische Unie in beperkte samenstelling.

Bij de betrokken bepalingen wordt een Kamer van beroep ingesteld, die is samengesteld uit drie leden van respectievelijk Belgische, Nederlandse en Luxemburgse nationaliteit en gekozen door het Comité van Ministers uit de hoofdambtenaren van de nationale administraties. Bij deze Kamer kan de beambte of gewezen beambte klagen over de vaststelling van salaris, toeslagen en vergoedingen, het recht op pensioen of de berekening van pensioen, een voorgestelde disciplinaire maatregel met uitzondering van de berisping, de non-activiteit wegens ambtsopheffing en het ambtshalve ontslag wegens onbekwaamheid of wangedrag. De Kamer brengt van de klacht advies uit aan het Comité van Ministers, dat een beslissing neemt.

Dat deze regeling niet voldoet aan de eisen van een genoegzame rechtsbescherming is duidelijk. Aan die eisen wordt slechts voldaan, indien beroep op een onafhankelijke rechter wordt geopend.

Regeling
Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-12-1986
BWB-id
BWBV0004547
Versie
1986-12-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl