wetzoeker

Artikel VI Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag dragen internationale verantwoordelijkheid voor nationale activiteiten in de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen, ongeacht of zodanige activiteiten worden verricht door overheidsinstanties of door niet-gouvernementele lichamen, en voor het zeker stellen dat de nationale activiteiten worden verricht in overeenstemming met de in dit Verdrag vervatte bepalingen. Voor de activiteiten van niet-gouvernementele lichamen in de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen, is toestemming en voortdurend toezicht van de betrokken Staat vereist. Wanneer activiteiten in de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen, worden verricht door een internationale organisatie, zijn zowel de internationale organisatie als de Staten die partij zijn bij dit Verdrag en deel uitmaken van een zodanige organisatie, ervoor verantwoordelijk, dat overeenkomstig het Verdrag wordt gehandeld.

Regeling
Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
10-10-1969
BWB-id
BWBV0004403
Versie
1969-10-10_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl