wetzoeker

Artikel 8 Protocol tot instelling van een Commissie van verzoening en goede diensten belast met het zoeken van een oplossing voor geschillen, welke kunnen rijzen tussen Staten die partij zijn bij het Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs

1 Indien in de Commissie geen lid zitting heeft, dat de nationaliteit bezit van een Staat die betrokken is bij een krachtens de bepalingen van artikel 12 of artikel 13 aan de Commissie voorgelegd geschil, mag die Staat, of indien het meerdere betreft elk van die Staten, een persoon aanwijzen, die in die Commissie als lid ad hoc zitting heeft.

2 De Staat die aldus een lid ad hoc kiest, houdt rekening met de eisen die op grond van artikel 2, lid 1, en artikel 4, leden 1 en 2 gesteld worden aan leden van de Commissie. Elk aldus gekozen lid ad hoc moet de nationaliteit bezitten van de Staat die hem kiest, of van een Staat die partij is bij het Protocol en treedt op in zijn persoonlijke hoedanigheid.

3 Indien verschillende Staten die een gemeenschappelijk belang hebben partij zijn bij het geschil, worden zij, wat het kiezen van leden ad hoc betreft, beschouwd als één partij. De wijze waarop deze bepaling wordt toegepast, wordt bepaald door het in artikel 11 genoemde Huishoudelijk Reglement van de Commissie.

Regeling
Protocol tot instelling van een Commissie van verzoening en goede diensten belast met het zoeken van een oplossing voor geschillen, welke kunnen rijzen tussen Staten die partij zijn bij het Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
24-10-1968
BWB-id
BWBV0004369
Versie
1968-10-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl