wetzoeker

HOOFDSTUK II — Tekens in de lengterichting van de weg (deel 1) Verdrag inzake verkeerstekens

Tekens in de lengterichting van de weg

A - Afmetingen

2. De breedte van doorgetrokken of onderbroken strepen die worden gebruikt voor tekens in de lengterichting van de weg dient ten minste 10 cm te zijn.

3. De afstand tussen twee naast elkaar lopende strepen in de lengterichting (dubbele streep) dient ten minste 10 cm en ten hoogste 18 cm te bedragen.

4. Een onderbroken streep dient te bestaan uit korte strepen van gelijke lengte, onderbroken door telkens gelijke open stukken. Bij het bepalen van de lengte van de korte strepen en van de open stukken daartussen dient rekening te worden gehouden met de snelheid van de voertuigen op het desbetreffende weggedeelte of in het desbetreffende gebied.

5. Buiten de bebouwde kom dient een onderbroken streep te bestaan uit korte strepen die ten minste 2 m en ten hoogste 10 m lang zijn. De lengte van de korte strepen die de waarschuwingsstreep vormen zoals bedoeld in paragraaf 23 van deze Bijlage, dient twee- tot driemaal zo groot te zijn als de lengte van de onderbrekingen.

6. Binnen de bebouwde kom dienen de lengte van de korte strepen en de lengte van onderbrekingen kleiner te zijn dan buiten de bebouwde kom. De korte strepen kunnen hier worden teruggebracht tot een lengte van 1 m. Op bepaalde hoofdverkeerswegen in steden waar de snelheid van het verkeer groot is, kunnen de afmetingen van de korte strepen en van de onderbrekingen gelijk zijn aan die welke gelden buiten de bebouwde kom.

B - Tekens die rijstroken aangeven

7. Rijstroken dienen te worden aangegeven door onderbroken strepen, door doorgetrokken strepen of door andere hiertoe geschikte tekens.

(i) Buiten de bebouwde kom

8. Op wegen bestemd voor verkeer in beide richtingen met twee rijstroken dient het midden van de rijbaan te zijn aangegeven door een streep in de lengterichting. Onder normale omstandigheden dient dit een onderbroken streep te zijn. Doorgetrokken strepen voor dit doel dienen uitsluitend in bijzondere gevallen te worden aangebracht.

9. Op wegen met drie rijstroken dienen de rijstroken op weggedeelten met normaal zicht als regel te worden aangeduid door onderbroken strepen. In bepaalde gevallen en ten einde een grotere verkeersveiligheid te bevorderen, kunnen doorgetrokken strepen worden gebezigd, of onderbroken strepen vlak naast doorgetrokken strepen.

10. Op rijbanen met meer dan drie rijstroken, dienen beide verkeersrichtingen van elkaar te zijn gescheiden door één doorgetrokken streep of door twee doorgetrokken strepen, behalve in die gevallen waarin de verkeersrichting op de binnenste stroken kan worden omgekeerd. Bovendien dienen de rijstroken te worden aangegeven door onderbroken strepen (zie diagrammen 1a en 1b).

(ii) Binnen de bebouwde kom

11. Binnen de bebouwde kom zijn de aanbevelingen vervat in paragrafen 8 tot en met 10 van deze Bijlage van toepassing voor straten voor verkeer in beide richtingen en voor straten voor verkeer in één richting met ten minste twee rijstroken.

12. De rijstroken dienen te worden aangegeven daar, waar de breedte van de rijbaan wordt verminderd door trottoirs, vluchtheuvels of verkeersgeleiders.

13. Bij de toegangswegen tot belangrijke kruisingen (speciaal kruisingen waar het verkeer wordt geregeld) en waar de rijbaan voldoende breed is voor twee of meer rijen voertuigen, dienen rijstroken te worden aangegeven volgens diagrammen 2 en 3. In dergelijke gevallen kunnen de strepen die de rijstroken aangeven, worden aangevuld met pijlen (zie paragraaf 39 van deze Bijlage).

C - Tekens voor bepaalde situaties

(i) Het gebruik van doorgetrokken strepen

14. Ten einde de verkeersveiligheid te vergroten, dienen de onderbroken strepen in het midden van de rijbaan bij bepaalde kruisingen (zie diagram 4) te worden vervangen of aangevuld door een doorlopende streep (zie diagrammen 5 en 6).

15. In gevallen waar het nodig is het gebruik van dat deel van de rijbaan te verbieden, dat bestemd is voor verkeer uit tegengestelde richting daar waar het gezichtsveld is beperkt (heuveltop, bocht in de weg, enz.) of op weggedeelten waar de rijbaan smal is of een andere eigenaardigheid vertoont, dienen beperkingen te worden toegepast voor weggedeelten waar het zicht minder bedraagt dan een zeker minimum M, en wel met behulp van een doorgetrokken streep volgens diagrammen 7a tot 16

1) De definitie van het gezichtsveld dat in deze paragraaf is gebruikt is de afstand vanwaar een voorwerp dat zich één meter boven het wegdek van de rijbaan bevindt kan worden gezien door de waarnemer op de weg wiens oog zich eveneens één meter boven de rijbaan bevindt.

. In landen waar het model van de motorvoertuigen zulks verantwoord maakt, mag de hoogte van 1 m voor het oog, als aangeduid op diagrammen 7a tot 10a, worden opgevoerd tot 1,20 m.

16. De waarde die voor M dient te worden aangenomen is afhankelijk van de situatie op de weg. Diagrammen 7a, 7b, 8a, 8b, 8c en 8d tonen voor wegen met respectievelijk twee en drie rijstroken het schema voor de strepen op een heuveltop met beperkt gezichtsveld. Deze diagrammen stemmen overeen met de lengtedoorsnede bovenaan dezelfde bladzijde en met de afstand M, zoals hieronder in paragraaf 24 aangegeven: A (of D) is het punt waar het gezichtsveld kleiner wordt dan M, terwijl C (of B) het punt is waar het gezichtsveld groter wordt dan M

2) De tekens op het wegdek tussen A en D als in diagrammen 7 a en 7b mogen worden vervangen door een enkele doorgetrokken streep in het midden van de rijbaan zonder een onderbroken streep daarnaast, voorafgegaan door een onderbroken streep in het midden, die uit ten minste drie korte strepen bestaat. Dit vereenvoudigde schema dient evenwel met grote voorzichtigheid te worden toegepast, en uitsluitend in uitzonderlijke gevallen, aangezien het de bestuurder over een bepaalde afstand belet, in te halen zelfs wanneer het gezichtsveld voldoende is. Het is gewenst beide methoden niet op dezelfde route te gebruiken, noch op dezelfde soort route in dezelfde streek, aangezien zulks tot verwarring kan leiden.

.

17. Waar secties A-B en C-D samenvallen, met andere woorden wanneer het zicht in beide richtingen groter wordt dan M voordat de top van de heuvel is bereikt, dienen de strepen toch op dezelfde wijze te worden aangebracht, maar de doorgetrokken strepen naast een onderbroken streep, mogen niet samenvallen. Dit is aangegeven op diagrammen 9, 10a en 10b.

18. Diagrammen 11a en 11b tonen de plaatsing van de strepen voor hetzelfde geval met beperkt gezichtsveld op een weg met twee rijstroken.

19. Voor wegen met drie rijstroken zijn twee methoden mogelijk. Deze worden getoond op diagrammen 8a, 8b, 8c en 8d (of 10a en 10b). Diagram 8a (of 8b of 10a) dient te worden gebruikt op wegen met veel verkeer van tweewielige voertuigen en diagrammen 8c en 8d (of 10b) op wegen waar het verkeer in hoofdzaak bestaat uit vierwielige voertuigen. Diagram 11c toont het schema van de strepen voor eenzelfde geval in een bocht met beperkt gezichtsveld op een weg met drie rijstroken.

20. Diagrammen 12, 13 en 14 tonen de strepen die de versmalling van de rijbaan aangeven.

21. Op diagrammen 8a, 8b, 8c, 8d, 10a en 10b mag de hoek van de schuine overgangsstrepen naar de middenstreep ten hoogste 1/20 bedragen.

22. Op diagrammen 13 en 14, die de strepen tonen die worden gebruikt om een verandering van de beschikbare breedte van de rijbaan aan te geven, zowel als op diagrammen 15, 16 en 17, die belemmeringen tonen die het noodzakelijk maken van de doorgetrokken streep (strepen) af te wijken, dient de hoek van de streep (strepen) bij voorkeur ten hoogste 1/50 te zijn op wegen waar snel gereden wordt en ten hoogste 1/20 op wegen waar de snelheid 50 km per uur niet te boven gaat. Bovendien dienen de schuine doorgetrokken strepen in de richting waarvoor zij van toepassing zijn te worden voorafgegaan door een doorgetrokken streep, evenwijdig aan de streep in het midden van de rijbaan waarbij de lengte van de doorgetrokken streep gelijk dient te zijn aan de afstand die, gegeven de snelheid, in één seconde wordt afgelegd.

Regeling
Verdrag inzake verkeerstekens
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
08-11-2008
BWB-id
BWBV0004310
Versie
2008-11-08_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl