wetzoeker

Procedureregeling ter uitvoering van de op 21 september 1960 te Parijs ondertekende NAVO-overeenkomst inzake de wederzijdse geheimhouding van uitvindingen die voor de verdediging van belang zijn en het onderwerp van octrooiaanvragen vormen (NAVO-overeenkomst) en van de Nederlands-Duitse Aanvullende overeenkomst bij de NAVO-overeenkomst (deel 1) Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland ter aanvulling van de op 21 september 1960 te Parijs ondertekende NAVO-overeenkomst inzake de wederzijdse geheimhouding van uitvindingen die voor de verdediging van belang zijn en onderwerp van octrooiaanvragen vormen (Nederlands-Duitse overeenkomst ter aanvulling van de NAVO-overeenkomst van 21 september 1960)

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland verplichten zich er zorg voor te dragen, dat ter uitvoering van de NAVO-overeenkomst en van de Duits-Nederlandse Aanvullende overeenkomst bij de NAVO-overeenkomst de volgende procedure wordt gevolgd:

1) Tot het verlenen van toestemming voor het indienen in een van beide Staten van een aanvrage om octrooi of betreffende een gebruiksmodel inzake een uitvinding waarvoor in de andere Staat (Staat van oorsprong) geheimhouding is opgelegd, of voor het overbrengen van technische gegevens waarvoor in een van beide Staten (Staat van oorsprong) geheimhouding is opgelegd, naar de andere Staat, is bevoegd (bevoegde instantie):

a) in de Bondsrepubliek Duitsland de Bondsminister van Defensie (Bundesminister für Verteidigung);

b) in het Koninkrijk der Nederlanden de Minister van Defensie.

2) De stukken die betrekking hebben op uitvindingen en technische gegevens worden door de bevoegde instantie van de Staat van oorsprong per diplomatieke koerier overgebracht naar de Ambassade van die Staat gevestigd in de andere Staat. Aan deze stukken wordt een verklaring in tweevoud van de bevoegde instantie van de Staat van oorsprong toegevoegd,

a) dat voor die uitvinding of voor die technische gegevens in de Staat van oorsprong in het belang van de verdediging geheimhouding is opgelegd, waarbij de aan de uitvindingen of de technische gegevens toegekende graad van geheimhouding wordt vermeld;

b) dat toestemming is verleend voor het indienen van een aanvrage om octrooi of betreffende een gebruiksmodel inzake de uitvinding in de andere Staat of voor het overbrengen van de technische gegevens.

3) De bevoegde instantie van de Staat van oorsprong draagt er zorg voor dat aan de stukken verklaringen van de verzoeker zijn toegevoegd waarbij

a) deze zich verplicht, indien hij in de andere Staat een aanvrage om octrooi of betreffende een gebruiksmodel wil indienen, ervoor te zorgen dat de vertegenwoordiger in de andere Staat een afschrift van de aanvrage die bij de aldaar gevestigde octrooiverlenende instantie is ingediend, aan de aldaar bevoegde instantie ter kennisneming toezendt;

indien het de overbrenging van technische gegevens betreft, hij ermede instemt, dat de bevoegde instantie van de andere Staat bij de overbrenging een door hem bijgevoegd tweede exemplaar ter kennisneming achterhoudt;

b) hij afstand doet van iedere aanspraak op schadevergoeding tegen de Regering van de andere Staat, die uitsluitend berust op het feit dat aldaar voor de uitvinding of de technische gegevens geheimhouding wordt opgelegd;

c) hij ermede instemt, dat de stukken aan de aangewezen vertegenwoordiger of aan de beoogde ontvanger van de technische gegevens slechts overhandigd worden indien deze vertegenwoordiger bevoegd is tot het behandelen van geheime aanvragen of geheime technische gegevens en indien is vastgesteld dat hij aan de vereisten voldoet die de geheimhouding daarvan waarborgen.

4) De verplichting een tweede exemplaar van de aanvrage om octrooi of betreffende een gebruiksmodel te zenden en een tweede exemplaar van de stukken betreffende technische gegevens toe te voegen, dat kan worden achtergehouden, geldt ook voor de gevallen dat de Regering van een der beide Staten een aanvrage om octrooi of betreffende een gebruiksmodel indient of technische gegevens overbrengt.

5)

a) De Ambassade van de Staat van oorsprong vraagt aan de bevoegde instantie van de andere Staat of de aangewezen vertegenwoordiger, of de beoogde ontvanger van technische gegevens bevoegd is tot het behandelen van geheime aanvragen of technische gegevens en voldoet aan de vereisten die geheimhouding daarvan waarborgen. Deze vraag moet zelfs dan worden gesteld, indien het een vertegenwoordiger of een ontvanger betreft die reeds een vorige maal was aangewezen.

b) Indien de aangewezen vertegenwoordiger niet aan de onder a bedoelde voorwaarden voldoet of indien het zich laat aanzien, dat dit niet tijdig vastgesteld kan worden, deelt de Ambassade dit door bemiddeling van de bevoegde instantie of rechtstreeks aan de aanvrager mede, teneinde hem in de gelegenheid te stellen, eventueel een andere vertegenwoordiger te kiezen.

c) Indien de ontvanger van technische gegevens niet aan de onder a bedoelde voorwaarden voldoet of niet bereid is de stukken in ontvangst te nemen, zendt de Ambassade alle stukken per diplomatieke koerier aan de bevoegde instantie terug.

d) Indien aan de onder a bedoelde voorwaarden is voldaan, doet de Ambassade alle haar toegezonden stukken toekomen aan de bevoegde instantie van de andere Staat met inachtneming van de aldaar geldende voorschriften ter verzekering van de geheimhouding.

In de Bondsrepubliek Duitsland houdt de Bondsminister van Defensie in het geval van een voorgenomen aanvrage om octrooi of betreffende een gebruiksmodel de onder 3 bedoelde verklaringen en een exemplaar van de onder 2 a en b bedoelde verklaring achter en doet vervolgens de stukken en het tweede exemplaar van de onder 2 a en b bedoelde verklaring aan de Bondsminister van Justitie toekomen, die voor het toezenden van de stukken en van de verklaring aan de door de aanvrager aangewezen vertegenwoordiger zorg draagt en de vertegenwoordiger uitdrukkelijk verplicht tot geheimhouding der stukken.

In het geval van overbrenging van technische gegevens houdt de Bondsminister van Defensie een exemplaar der stukken, de onder 3 genoemde verklaringen en een exemplaar van de onder 2 a en b genoemde verklaring achter en doet vervolgens het tweede exemplaar van de stukken en van de onder 2 a en b genoemde verklaring aan de ontvanger toekomen, waarbij hij de ontvanger uitdrukkelijk verplicht tot geheimhouding van de stukken.

Indien in het geval van overbrenging van technische gegevens de verzoeker een vertegenwoordiger heeft aangewezen en deze aan de onder a bedoelde voorwaarden voldoet, doet de Bondsminister van Defensie het in het vorige lid genoemde tweede exemplaar van de stukken en het tweede exemplaar van de onder 2 a en b bedoelde verklaring aan de Bondsminister van Justitie toekomen, die voor doorzending aan de vertegenwoordiger zorg draagt en deze uitdrukkelijk tot geheimhouding verplicht.

In het Koninkrijk der Nederlanden houdt de Minister van Defensie in het geval van een voorgenomen octrooiaanvrage de onder 3 bedoelde verklaringen en een exemplaar van de onder 2 a en b bedoelde verklaring achter en doet vervolgens de stukken en het tweede exemplaar van laatstgenoemde verklaring aan de door de aanvrager aangewezen vertegenwoordiger toekomen en verplicht deze tot geheimhouding van de stukken.

In het geval van overbrenging van technische gegevens houdt de Minister van Defensie een exemplaar van de stukken, de onder 3 bedoelde verklaringen en een exemplaar van de onder 2 a en b bedoelde verklaring achter en doet vervolgens het tweede exemplaar van de stukken en van de onder 2 a en b bedoelde verklaring aan de door de verzoeker aangewezen vertegenwoordiger of de ontvanger toekomen, waarbij hij de vertegenwoordiger of de ontvanger verplicht tot geheimhouding van de stukken.

6) Voor de uitvindingen waarvoor een aanvrage om octrooi of betreffende een gebruiksmodel is of moet worden ingediend, en voor de technische gegevens wordt in de andere Staat door de bevoegde instantie onverwijld geheimhouding opgelegd onder toekenning van de graad van geheimhouding die overeenkomt met de in de Staat van oorsprong verleende graad van geheimhouding. De in beide Staten geldende graden van geheimhouding zijn:

in de Bondsrepubliek Duitsland: | in het Koninkrijk der Nederlanden:

STRENG GEHEIM GEHEIM VS-VERTRAULICH VS-NUR FÜR DEN DIENSTGEBRAUCH | ZEER GEHEIM GEHEIM CONFIDENTIEEL of VERTROUWELIJK DIENSTGEHEIM

De maatregelen ter verzekering van geheimhouding waarin de administratieve voorschriften van de betrokken Staat voorzien, worden op die uitvindingen en technische gegevens toegepast.

Regeling
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland ter aanvulling van de op 21 september 1960 te Parijs ondertekende NAVO-overeenkomst inzake de wederzijdse geheimhouding van uitvindingen die voor de verdediging van belang zijn en onderwerp van octrooiaanvragen vormen (Nederlands-Duitse overeenkomst ter aanvulling van de NAVO-overeenkomst van 21 september 1960)
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
08-10-1971
BWB-id
BWBV0004252
Versie
1971-10-08_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl