wetzoeker

Artikel 1 Benelux-Overeenkomst betreffende de uitoefening van de advocatuur

De Overeenkomst beperkt zich tot het pleiten en de daarmee samenhangende verplichtingen en strekt zich niet uit tot de vertegenwoordiging van partijen.

De buitenlandse advocaat zal zich dienen te houden aan de wettelijke voorschriften en gebruiken van het rechtscollege waarvoor hij pleit. Hierbij wordt onder meer gedacht aan de bepalingen betreffende het taalgebruik in rechtszaken.

De buitenlandse advocaat mag pleiten met bijstand van een plaatselijk advocaat. Deze bijstand sluit niet noodzakelijkerwijze de voortdurende aanwezigheid van de plaatselijke advocaat in. De vorm die deze bijstand dient aan te nemen wordt overgelaten aan het oordeel van laatstgenoemde, gelet op de wettelijke bepalingen betreffende de rechterlijke organisatie en de procedure, alsmede op de ereregelen van zijn balie en de bijzonderheden van de zaak.

Bij de uitoefening van zijn functie geniet de buitenlandse advocaat dezelfde voorrechten als de advocaat van het land waar de zaak dient, met name ten aanzien van het beroepsgeheim en de onschendbaarheid van zijn dossier.

De buitenlandse advocaat die wordt bijgestaan door een plaatselijke advocaat, heeft dezelfde rechten als deze laatste ten aanzien van de inzage van het dossier en het contact met de gedetineerde door bezoek en correspondentie. Hij behoeft niet meer formaliteiten te vervullen dan voor de plaatselijke advocaat gelden.

Regeling
Benelux-Overeenkomst betreffende de uitoefening van de advocatuur
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-09-1971
BWB-id
BWBV0004241
Versie
1971-09-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl