wetzoeker

Artikel 1 Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming

Een gecoördineerd regime inzake jacht vereist een gelijkluidende definitie van het begrip „wild”.

Alleen de Nederlandse jachtwet kent een nauwkeurige definitie.

De Belgische jachtwet geeft geen definitie van „wild”, doch in enige artikelen worden bepaalde dieren genoemd waarop die wet van toepassing is (bijv. art. 2, 6, 6bis, 6ter, 7, 7ter, 10). Bovendien beschouwt de jurisprudentie als wild de dieren waarop men gewoon is te jagen.

De Luxemburgse jachtwet kent evenmin een definitie van wat onder „wild” moet worden verstaan. Op grond van enige in de jachtwet voorkomende artikelen kan evenwel worden afgeleid welke diersoorten in Luxemburg tot de categorieën grof wild, klein wild, waterwild en overig wild worden gerekend.

In artikel 1 van de Conventie wordt onderscheid gemaakt tussen 4 categorieën wild, t.w. grof wild, klein wild, waterwild en overig wild, De aanwijzing van deze onderscheidene wildcategorieën en de daartoe behorende soorten strekt tot wegneming van onzekerheid omtrent de vraag of een bepaalde diersoort al dan niet tot het jachtwild wordt gerekend. De aanwijzing staat voorts in verband met andere wetsartikelen, welke bv. betrekking hebben op de wijze van bejagen, de daartoe geoorloofde middelen, de jachtvelden en de data van opening en sluiting van de jacht voor de onderscheidene wildsoorten.

Als grof wild, resp. klein wild en waterwild, zijn in artikel 1 die diersoorten aangeduid, welke naar hun aard of op basis van de huidige jachtwetgevingen in aanmerking komen om in de drie hoger vermelde categorieën te worden opgenomen.

Ook is een categorie „overig wild” onderscheiden. Van oudsher regelen de jachtwetten immers het bemachtigen van zekere dieren die, hoewel zij meestal niet rechtstreeks het voorwerp van de jacht zijn, toch enig belang voor de jacht bezitten. Tot deze groep dieren rekent men o.m. vossen, bunzings, wezels, verwilderde katten; sommige ervan, zoals vossen, worden af en toe bejaagd. Wegens hun levenswijze en hun aantal beschouwt men deze dieren meestal als schadelijk en tracht men ze het gehele jaar te bestrijden.

Door een steeds verdergaande aantasting van de biotopen van deze diersoorten lopen sommige daarvan echter gevaar te verdwijnen, zoals o.m. de das, de otter en de wilde kat. Het ecologisch onderzoek heeft voorts aangetoond, dat deze soorten evenals de gewone wildsoorten een belangrijke rol spelen in de voedingskringloop van de natuur. Het is dan ook niet uitgesloten dat het in de toekomst nodig zal zijn maatregelen te treffen voor hun bescherming. Voor een aantal hiervan, bv. de marter, is dit reeds het geval in Nederland. Uit de aard der zaak horen dergelijke maatregelen thuis in het raam van de jachtwetgeving. De opname in de categorie „overig wild” biedt daartoe de mogelijkheid.

Artikel 1, lid 3 bepaalt dat het Comité van Ministers, ingesteld krachtens artikel 15 van het Unieverdrag, bevoegd is om door middel van beschikkingen de lijst van de diersoorten, behorende tot de categorieën grof wild, klein wild, waterwild en overig wild aan te vullen. Het gaat hier - evenals in de artikelen 7, 11 en 13, lid 1 - om beschikkingen in de zin van artikel 19a) van het Unieverdrag, dat bepaalt dat de beschikkingen de Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden; deze dienen dus op het nationale vlak de nodige maatregelen te treffen om aan de beschikkingen uitvoering te geven.

In afwachting dat het Comité van Ministers op grond van artikel 1, lid 3 der Overeenkomst de harmonisatie van de categorieën wild zal hebben voltooid en op grond van artikel 7 de harmonisatie van de categorieën beschermde vogelsoorten zal hebben tot stand gebracht, kan elk der drie Regeringen vanzelfsprekend voorlopig andere diersoorten aan de in artikel 1 bedoelde categorieën wild toevoegen.

Regeling
Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-11-2021
BWB-id
BWBV0004239
Versie
2021-11-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl