wetzoeker

Nr. II Briefwisseling houdende vaststelling van een addendum bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen

AMBASSADE VAN HET

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

4507/

Brussel, 26 maart 1969

Mijnheer de Minister,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van Uwer Excellentie's brief van 12 november 1968, waarvan de inhoud als volgt luidt:

(Zoals in Nr. I)

Ik heb de eer ter kennis van Uwe Excellentie te brengen, dat de bepalingen van het addendum zoals omschreven in bovengenoemde brief voor de Nederlandse Regering aanvaardbaar zijn, zodat die brief en het onderhavige antwoord daarop een overeenkomst tussen onze beide Regeringen tot vaststelling van het addendum vormen, welke overeenkomst in werking treedt op de dag waarop de Regering van het Koninkrijk België van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden een kennisgeving ontvangt, waarin wordt medegedeeld dat aan de in het Koninkrijk der Nederlanden geldende grondwettelijke voorschriften is voldaan.

Gelief, Mijnheer de Minister, de hernieuwde verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting te aanvaarden.

Ambassadeur der Nederlanden,

(w.g.) J. A. DE VOS VAN STEENWIJK

Aan Zijne Excellentie

de Heer P. Harmel,

Minister van Buitenlandse Zaken

en Buitenlandse Handel

te Brussel

Regeling
Briefwisseling houdende vaststelling van een addendum bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
11-12-1969
BWB-id
BWBV0004217
Versie
1969-12-11_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl