II — GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BEHORENDE BIJ DE OVEREENKOMST (deel 1) Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BEHORENDE BIJ DE OVEREENKOMST
Artikel 1
Naar het voorbeeld van de meeste wetgevingen betreffende dit onderwerp geeft het ontwerp een definitie van het begrip motorrijtuig. Het ontwerp neemt daartoe tot uitgangspunt de terminologie van het voorontwerp van het Internationaal Instituut te Rome, zoals dit is overgenomen in de Europese Conventie van 20 september 1959.
In de toelichting op het ontwerp van Rome werd de volgende verklaring gegeven van het gebruik van de zeer ruime begripsomschrijving „rij- of voertuigen, welke door een mechanische kracht worden voortbewogen”: „Het gebruik van het woord „motor” ter aanduiding van de voortbewegende kracht of van de woorden „tractie” of „voortdrijving” ter aanduiding van de wijze van overbrenging van die kracht, zou een te beperkte strekking aan de wet kunnen geven, zulks wegens nieuwe systemen, welke de voortbrenging en de overbrenging van de mechanische kracht mogelijk zouden maken zonder aanwezigheid van een motor of zonder uitoefening van een trek- of voortdrijvingskracht. De uitdrukking „mechanische kracht” omvat de kracht, welke door een motor wordt voortgebracht en de kracht, welke voortgebracht wordt langs andere mechanische weg met uitzondering van de enkele spierkracht”.
Het ontwerp spreekt van: „rij- of voertuigen bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven”. Er bestaan namelijk rij- of voertuigen, die van een motor zijn voorzien en die door die motor of door spierkracht kunnen worden voortbewogen, waarbij de keuze van het middel van voortbeweging afhangt van degene die het rij- of voertuig gebruikt, zoals rijwielen met hulpmotor. Deze worden ook aan de verplichte verzekering onderworpen.
Evenals genoemd ontwerp van Rome en de meeste nationale wetgevingen sluit de tekst „rij- en voertuigen die langs spoorstaven worden voortbewogen”, uit.
Voor zover niet anders is bepaald, geldt de verzekering tevens voor aanhangwagens, ongeacht hun aard, voor zover zij met het motorrijtuig verbonden zijn. Indien deze bepaling niet zou zijn gemaakt en de verzekering niet voor aanhangwagens zou gelden, zou voor ieder ongeval afzonderlijk beslist moeten worden of de schade is veroorzaakt door het motorrijtuig als zodanig dan wel door de aanhangwagen. De tekst stelt deze moeilijkheid ter zijde.
De vraag of de verzekering de schade dekt die door de aanhangwagen wordt veroorzaakt hetzij op het moment dat deze wordt aan- of afgekoppeld, hetzij ten gevolge van een breuk in de koppeling, dan wel wanneer de aanhangwagen even van het voertuig wordt afgekoppeld omdat dit een bepaalde manoeuvre moet uitvoeren, wordt ter beoordeling aan de rechter overgelaten of zal voor zover nodig in de nationale wetgeving worden geregeld. Ten aanzien van de schade die wordt veroorzaakt door een op de openbare weg achtergelaten aanhangwagen was men van oordeel, dat dit risico buiten de werkingssfeer van het verdrag valt, daar dit tot doel heeft de schadeloosstelling van slachtoffers van motorrijtuigen te regelen. De nationale wetgevers zullen moeten overwegen of het gewenst is de verzekeringsplicht mede tot dit risico uit te breiden.
In de tweede plaats bleek het noodzakelijk een definitie te geven van het begrip „verzekerde”. In het ontwerp wordt hieronder verstaan een ieder, wiens aansprakelijkheid is gedekt, ongeacht in welke hoedanigheid, dus als eigenaar, als gebruiker of als bestuurder, en ongeacht wie de verzekeringnemer is. Zie hiervoor in het bijzonder ook artikel 3.
Ter vereenvoudiging bleek het tevens nuttig de betekenis van het begrip „benadeelde” te omschrijven. Daaronder wordt verstaan een ieder die schade heeft geleden welke grond oplevert voor toepassing van de wet, van welke aard die schade ook is, onverschillig of het schade aan personen of aan goederen betreft; er valt onder niet alleen de persoon die rechtstreeks letsel heeft opgelopen bij het ongeval, doch een ieder die krachtens de toepasselijke wet hetzij uit eigen hoofde, hetzij uit hoofde van zijn betrekking tot het slachtoffer, beroep kan doen op een recht.
De definitie van het begrip „verzekeraar” zal in het navolgende worden toegelicht naar aanleiding van artikel 2.
Ten aanzien van de bevoegdheid van het „bureau” wordt in het ontwerp nader aangeduid, dat de in een bepaald land geregistreerde motorrijtuigen geacht worden zich gewoonlijk in dat land te bevinden. Deze nadere aanduiding is bedoeld als aanvulling op het criterium „zich gewoonlijk in het buitenland bevinden”, dat in bepaalde gevallen niet bevredigend kan zijn. In verband met de afschaffing van de controle aan de binnengrenzen is het nodig geoordeeld zo duidelijk mogelijk aan te geven voor welke motorrijtuigen de verzekeraars verantwoordelijk zijn. Deze regel kan uiteraard slechts worden toegepast op geregistreerde motorrijtuigen. Voor niet-geregistreerde of niet-registratieplichtige motorrijtuigen geldt alleen het criterium „zich gewoonlijk in het buitenland bevinden”.
Artikel 2
§ 1. De verplichte verzekering
Een wet op de verplichte verzekering dient ter bescherming van het publiek. Zij is in de eerste plaats nodig voor motorrijtuigen die van de openbare wegen gebruik maken. Het is echter noodzakelijk geoordeeld de verzekering eveneens verplicht te stellen voor motorrijtuigen, die slechts worden gebruikt op plaatsen die niet als openbare weg zijn aan te merken doch wel voor het publiek toegankelijk zijn, zelfs al hebben slechts bepaalde personen het recht deze plaatsen te betreden. Daartoe behoren bv. haventerreinen, goederenstations en fabrieksterreinen.
Een wet die een verplichting tot het sluiten van een verzekering oplegt, moet een nauwkeurige aanduiding bevatten van de personen die aan haar voorschriften zijn onderworpen. De verplichting rust in beginsel op de eigenaar, doch deze is van de verplichting ontheven indien iemand anders de verzekering heeft gesloten. Deze ruime opzet behoeft geen ernstige bezwaren op te leveren aangezien de verzekering de aansprakelijkheid van allen moet dekken (artikel 3), de benadeelde een eigen recht heeft tegen de verzekeraar (artikel 6) en de verzekeraar de benadeelde geen exceptie of verval kan tegenwerpen (artikel 11).
Op het ontbreken van een verzekering staan twee sancties: in de eerste plaats zal het motorrijtuig niet tot deelneming aan het verkeer worden toegelaten, waarbij wordt aangetekend dat het motorrijtuig slechts aan het verkeer zal mogen deelnemen zolang de verzekering van kracht blijft; hierop wordt bij de bespreking van artikel 12 teruggekomen. In de tweede plaats stellen zowel de eigenaar als de bestuurder van het motorrijtuig zich bloot aan strafvervolging.
§ 2.De verzekeringsorganen
De verplichte verzekering mag slechts worden gesloten bij erkende verzekeringsmaatschappijen die aan bepaalde juridische en financiële voorwaarden moeten beantwoorden (borgstelling, technische reserves, enz.) en die onder toezicht van overheidswege staan.
Motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald en die niet gedekt zijn door een verzekering gesloten bij een toegelaten verzekeraar, worden slechts tot het verkeer toegelaten indien een bureau, tot dat doel door de regering toegelaten, de afwikkeling van de schade op zich neemt, overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar het ongeval heeft plaats gehad.
- Regeling
- Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-06-1976
- BWB-id
- BWBV0004166
- Versie
- 1976-06-01_0