wetzoeker

Artikel 65 Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I)

CIVIELE BESCHERMING

1 De bescherming waarop de burgerinstellingen voor de civiele bescherming en het personeel, de gebouwen, de schuilgelegenheden en het materieel aanspraak hebben, eindigt alleen, wanneer deze buiten hun eigenlijke taak voor de vijand schadelijke handelingen verrichten of worden gebruikt om dergelijke handelingen te verrichten. De bescherming eindigt evenwel slechts nadat een waarschuwing is gegeven waarin, telkens wanneer daartoe aanleiding is, een redelijke termijn wordt gesteld, en nadat aan die waarschuwing geen gevolg is gegeven.

2 Als voor de vijand schadelijke handelingen worden niet beschouwd:

(a) het feit dat taken op het gebied van de civiele bescherming worden vervuld onder leiding of toezicht van militaire autoriteiten;

(b) het feit dat burgerpersoneel voor de civiele bescherming samenwerkt met militair personeel bij de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming, of dat militair personeel is ingedeeld bij burgerinstellingen voor de civiele bescherming;

(c) het feit dat de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming mede ten goede zou kunnen komen aan militaire slachtoffers, in het bijzonder aan diegenen die buiten gevecht zijn gesteld.

3 Het feit dat het burgerpersoneel voor de civiele bescherming lichte persoonlijke wapens draagt ter handhaving van de orde of voor zijn eigen verdediging wordt evenmin als een voor de vijand schadelijke handeling beschouwd. In gebieden waar gevechten te land plaatsvinden of vermoedelijk zullen plaatsvinden, dienen de partijen bij het conflict evenwel passende maatregelen te nemen om deze wapens te beperken tot handvuurwapens, zoals pistolen of revolvers, ten einde het onderscheid tussen het personeel voor de civiele bescherming en de combattanten te vergemakkelijken. Zelfs indien het personeel voor de civiele bescherming andere lichte persoonlijke wapens draagt in dergelijke gebieden dient het niettemin te worden ontzien en beschermd zodra het als zodanig is herkend.

4 Het feit dat burgerinstellingen voor de civiele bescherming op dezelfde wijze als de krijgsmacht zijn georganiseerd, of dat de dienst daarbij verplicht is, ontneemt hun evenmin de in dit hoofdstuk verleende bescherming.

Regeling
Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I)
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-03-1994
BWB-id
BWBV0004091
Versie
1994-03-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl