wetzoeker

Artikel VI Overeenkomst inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen

Wanneer de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst een Staat die Partij is bij deze Overeenkomst, niet in staat heeft gesteld de identiteit vast te stellen van een ruimtevoorwerp dat schade heeft toegebracht aan bedoelde Staat of aan diens natuurlijke personen of rechtspersonen, of dat gevaarlijk of schadelijk kan zijn, geven de andere Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, met name de Staten die beschikken over installaties voor het waarnemen en het volgen van ruimtevoorwerpen, voor zover mogelijk gevolg aan ieder door bedoelde bij deze Overeenkomst Partij zijnde Staat of door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties namens die Staat ingediend verzoek om onder billijke en redelijke voorwaarden te helpen bij het identificeren van het voorwerp. De bij deze Overeenkomst Partij zijnde Staat die een zodanig verzoek indient, verstrekt voor zover mogelijk inlichtingen omtrent het tijdstip, de aard en de omstandigheden van de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot het verzoek. Over de wijze waarop deze hulp zal worden verleend, dient door de betrokken Partijen overeenstemming te worden bereikt.

Regeling
Overeenkomst inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
26-01-1981
BWB-id
BWBV0003900
Versie
1981-01-26_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl