wetzoeker

AFDELING II Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)

2. Behoudens het bepaalde in de afdelingen III en IV, zullen de Staten die partij zijn bij het Verdrag, voor hun centrale diensten voor de industriële eigendom ten gunste van het Europees Octrooibureau, afzien van alle werkzaamheden in de hoedanigheid van Instantie voor Internationale Voorlopige Beoordeling in de zin van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien. Deze verplichting wordt slechts van kracht voor zover het Europees Octrooibureau Europese octrooiaanvragen op grond van artikel 162, tweede lid, van het Verdrag kan onderzoeken, en wel eerst twee jaar na de datum waarop het Europees Octrooibureau zijn onderzoekswerkzaamheden is begonnen op de desbetreffende technische gebieden, volgens een vijfjarenplan, waarbij de bevoegdheid van het Europees Octrooibureau geleidelijk wordt uitgebreid tot alle gebieden van de techniek en dat alleen kan worden gewijzigd door een besluit van de Raad van Bestuur. De wijze waarop deze verplichting dient te worden toegepast, wordt bepaald door een besluit van de Raad van Bestuur.

Regeling
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)
Afkortingen
EOV, Europees Octrooiverdrag
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-06-2026
BWB-id
BWBV0003819
Versie
2026-06-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl