wetzoeker

Artikel IV Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

Voorrechten en immuniteiten

1 Het Agentschap geniet immuniteit van jurisdictie en executie behalve:

(a) voor zover het er bij besluit van de Raad uitdrukkelijk afstand van doet in een bijzonder geval; de Raad is verplicht van deze immuniteit afstand te doen in alle gevallen waar handhaving ervan de loop van het recht zou belemmeren en er afstand van kan worden gedaan zonder de belangen van het Agentschap te schaden;

(b) in geval van een burgerlijke rechtsvordering ingesteld door een derde wegens schade die voortvloeit uit een ongeval veroorzaakt door een aan het Agentschap toebehorend of ten behoeve van hem gebruikt motorvoertuig, of met betrekking tot een verkeersovertreding waarbij een zodanig voertuig is betrokken;

(c) in geval van tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke uitspraak gedaan hetzij ingevolge artikel XXV, hetzij ingevolge artikel XXVI;

(d) in geval van derden beslag, gelast bij een beslissing van de gerechtelijke autoriteiten, op salarissen en emolumenten door het Agentschap aan een personeelslid verschuldigd.

2 De eigendommen en het vermogen van het Agentschap, ongeacht waar deze zich bevinden, genieten immuniteit van elke vorm van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging. Zij genieten eveneens immuniteit van elke vorm van administratieve dwang of voorlopige gerechtelijke maatregelen, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zouden zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij aan het Agentschap toebehorende of te zijnen behoeve gebruikte motorvoertuigen zijn betrokken, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.

Regeling
Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2002
BWB-id
BWBV0003813
Versie
2002-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl