wetzoeker

Artikel II Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

Internationalisatie van nationale programma’s

De Lid-Staten doen alles wat in hun vermogen ligt om te verzekeren, dat de bilaterale en multilaterale ruimteprojecten die zij in samenwerking met niet-Lid-Staten ondernemen, de wetenschappelijke, economische of industriële doelstellingen van het Agentschap niet nadelig beïnvloeden. In het bijzonder:

(a) stellen zij het Agentschap van zodanige projecten in kennis, voorzover zij van mening zijn, dat dit die projecten niet nadelig beïnvloedt;

(b) bespreken zij met de andere Lid-Staten zodanige ter kennis gebrachte projecten, ten einde het kader voor ruimere deelname vast te stellen. Indien ruimere deelname mogelijk blijkt, zijn de procedures genoemd in artikel I, letter b tot en met e, van toepassing.

Regeling
Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2002
BWB-id
BWBV0003813
Versie
2002-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl