wetzoeker

Aanbeveling 155 — Aanbeveling betreffende verhoging van de normen op de koopvaardijschepen Verdrag betreffende minimumnormen op koopvaardijschepen

Aanbeveling betreffende verhoging van de normen op de koopvaardijschepen

1.

(1) Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, is deze Aanbeveling van toepassing op elk zeeschip, hetzij in bezit van de overheid, hetzij in particulier bezit, dat voor handelsdoeleinden wordt gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers dan wel voor enig ander commercieel doel wordt gebezigd.

(2) De nationale wetgeving bepaalt welke schepen voor de toepassing van deze Aanbeveling als zeeschepen dienen te worden beschouwd.

(3) Deze Aanbeveling is van toepassing op zeesleepboten.

(4) Deze Aanbeveling is niet van toepassing op:

a. schepen die hoofdzakelijk worden voortbewogen door middel van zeilen, ongeacht of zij al of niet zijn uitgerust met hulpmotoren;

b. schepen die gebruikt worden voor de visvangst, de walvisvangst of voor soortgelijke doeleinden;

c. kleine schepen en schepen zoals drijvende boorinstallaties en booreilanden wanneer er niet mee wordt gevaren, waarbij de beslissing welke schepen hieronder vallen dient te worden genomen door het bevoegde gezag in ieder land, in overleg met de meest representatieve organisaties van reders en zeevarenden.

(5) Niets in deze Aanbeveling wordt geacht uitbreiding te geven aan de werkingssfeer van de instrumenten, waarnaar wordt verwezen in de Bijlage bij het Koopvaardijverdrag (minimum normen) 1976, of in de Bijlage bij deze Aanbeveling.

2. De Leden dienen

(a) te waarborgen dat de bepalingen van de wetgeving, bedoeld in artikel 2, subparagraaf (a) van het Koopvaardij verdrag (minimum normen) 1976, en

(b) zich ervan te vergewissen, dat die bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, die betrekking hebben op de werk- en leefomstandigheden aan boord,

ten minste gelijkwaardig zijn aan de Verdragen of artikelen van Verdragen, waarnaar verwezen wordt in de Bijlage bij het Koopvaardijverdrag (minimum normen), 1976.

3. Bovendien dienen, zo nodig geleidelijk, stappen te worden ondernomen gericht op een zodanige wetgeving of, waar van toepassing collectieve arbeidsovereenkomsten, waarin bepalingen voorkomen, die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van de instrumenten, vermeld in de Bijlage bij deze Aanbeveling.

4.

(1) In afwachting van stappen tot een zodanige herziening van het Koopvaardij verdrag (minimum normen), 1976, als nodig mocht blijken, gezien de veranderingen in de omstandigheden en de behoeften van de Koopvaardij, dient bij de toepassing van dat Verdrag, na overleg met de meest representatieve organisaties van reders en van zeevarenden, nota te worden genomen van elke herziening van de afzonderlijke Verdragen, vermeld in de Bijlage bij datzelfde Verdrag, zodra laatstbedoelde herziening in werking is getreden.

(2) Bij de toepassing van deze Aanbeveling dient nota te worden genomen, na overleg met de meest representatieve organisaties van reders en zeevarenden, van elke herziening van afzonderlijke Verdragen, vermeld in de Bijlage bij deze Aanbeveling, zodra een dergelijke herziening in werking is getreden, en van elke herziening van andere instrumenten, vermeld in dezelfde Bijlage zodra die herziening is aanvaard.

Regeling
Verdrag betreffende minimumnormen op koopvaardijschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
28-11-1981
BWB-id
BWBV0003738
Versie
1981-11-28_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl