wetzoeker

V — Opleiding voor bedrijfsleiders en voor zelfstandigen Verdrag betreffende de rol van beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding bij de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen

Opleiding voor bedrijfsleiders en voor zelfstandigen

29.

(1) Leidinggevend personeel, geschoolde en gespecialiseerde krachten die actief betrokken zijn bij de bedrijfsleiding alsmede personen die op het punt staan leidinggevende en toezichthoudende functies te vervullen, dienen een opleiding te krijgen in het leiding geven en in het toezicht houden.

(2) De bevoegde autoriteiten dienen, binnen het raam van de nationale planning en wetgeving en na raadpleging van werkgevers- en werknemersorganisaties, programma's op te stellen voor de opleiding tot leidinggevende en toezichthoudende functies en voor zelfstandigen.

30.

(1) Bij het opstellen van de inhoud van de opleidingsprogramma's voor leidinggevende en toezichthoudende functies dient rekening te worden gehouden met het huidige en toekomstige niveau van verantwoordelijkheden van de op te leiden personen.

(2) Deze programma's dienen in het bijzonder gericht te zijn op:

(a) het ontwikkelen van toereikende kennis en begrip van de economische en sociale aspecten van de besluitvorming;

(b) het ontwikkelen van de bekwaamheid en de instelling die vereist zijn voor het leiden en motiveren van anderen met eerbiediging van de menselijke waardigheid en voor het scheppen van gezonde arbeidsverhoudingen;

(c) het ontwikkelen van het eigen initiatief en van een positieve houding tegenover veranderingen alsmede van het vermogen om de weerslag die deze veranderingen op anderen hebben, te onderkennen;

(d) het versterken van het vermogen om nieuwe verantwoordelijkheden bij het werk te dragen;

(e) het ten volle bewust maken van de personen die deze programma's volgen, van het belang dat het onderwijs, de beroepskeuzevoorlichting en de beroepsopleiding hebben voor het personeel van het bedrijf;

(f) het bevorderen van de bewustwording van de situatie van werknemers in hun beroep, de zorg voor hun welzijn alsmede van de kennis van het arbeidsrecht en van de stelsels van sociale zekerheid;

(g) het bijbrengen van inzicht in de waarde van het streven naar zelfontplooiing;

(h) het verschaffen van een basis voor nascholing naar gelang van zich wijzigende behoeften.

31.

(1) In de programma's voor beroepsopleiding voor zelfstandigen, dient rekening te worden gehouden met de maatschappelijke omstandigheid van de werknemers en

(a) dienen, behalve de beroepsopleiding op technisch gebied in de gekozen richting, de fundamentele beginselen en gebruiken bij het leiden van een bedrijf en de opleiding van anderen te worden opgenomen;

(b) dienen de deelnemers bewust te worden gemaakt van de noodzaak initiatieven te nemen, risico's te beoordelen en te accepteren.

(2) Deze programma's dienen te kunnen worden aangepast aan veranderde omstandigheden, en dienen te worden ondersteund door voortdurende informatie over nieuwe ontwikkelingen op het desbetreffende technische gebied alsmede over bronnen van financiering en, zo nodig, over de meest doeltreffende methoden om produkten op de markt te brengen.

Regeling
Verdrag betreffende de rol van beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding bij de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
19-06-1980
BWB-id
BWBV0003733
Versie
1980-06-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl