IV — Beroepsopleiding (deel 1) Verdrag betreffende de rol van beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding bij de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen
Beroepsopleiding
A. Algemene bepalingen
15.
(1) De Leden dienen de stelsels van beroepsopleiding in hun onderscheiden landen geleidelijk uit te breiden, aan te passen en op elkaar af te stemmen om te voldoen aan de behoeften van jongeren en volwassenen gedurende hun hele leven, in alle sectoren van de economie, in alle bedrijfstakken en op alle niveaus van vakbekwaamheid en verantwoordelijkheid.
(2) Hierbij dient bijzondere aandacht te worden besteed aan:
(a) verschaffing van promotiekansen voor personen die een hoger niveau van vakbekwaamheid en verantwoordelijkheid wensen en in staat zijn te bereiken, telkens wanneer de omstandigheden zulks toelaten;
(b) verbetering van de beroepsopleiding in sectoren van de economie en bedrijfstakken waar de opleiding grotendeels op praktische ervaring berust en waar werkmethoden en technieken worden toegepast, die aan veroudering onderhevig zijn.
(c) verlening van beroepsopleiding aan die personen aan wie tot dusverre niet voldoende aandacht is besteed, in het bijzonder de groepen op economisch en sociaal gebied, die in een ongunstige positie verkeren;
(d) doeltreffende coördinatie van het algemeen vormend onderwijs en de beroepsopleiding, de theoretische en de praktische scholing, de basisopleiding en de nascholing.
(3) De programma's voor beroepsopleiding dienen zo te zijn opgezet dat daardoor volledige werkgelegenheid en de ontwikkeling van de aanleg van een ieder worden bevorderd.
16. De programma's voor beroepsopleiding voor de onderscheiden beroepen en bedrijfstakken dienen, waar nodig, te worden opgebouwd uit opeenvolgende stadia welke te zamen voldoende mogelijkheden bieden voor:
(a) een basisopleiding voor jongeren en volwassenen die geen of slechts weinig beroepservaring hebben;
(b) nascholing waardoor het personen die een beroep uitoefenen, mogelijk wordt gemaakt om:
(i) hun vakkundigheid te verbeteren, het scala van de werkzaamheden welke zij kunnen verrichten te verruimen, toegang te verkrijgen tot arbeid van een hoger niveau of promotie te maken;
(ii) het niveau van hun kennis en vakbekwaamheid aan te passen aan de ontwikkeling van hun beroep;
(c) herscholing om het volwassenen mogelijk te maken nieuwe bekwaamheid op een ander gebied te verwerven;
(d) aanvullend onderwijs voor zover dit nodig blijkt te zijn om de opleiding aan te vullen;
(e) opleiding op het gebied van bedrijfshygiëne en -veiligheid, vooral voor jongeren en volwassenen die nog niet veel beroepservaring hebben;
(f) voorlichting inzake de uit de tewerkstelling voortvloeiende rechten en plichten, alsmede inzake de stelsels van sociale zekerheid.
17.
(1) Alles dient in het werk te worden gesteld om desnoods met overheidsgelden alle bestaande of potentiële beroepsopleidingen, met inbegrip van de binnen de bedrijven aanwezige mogelijkheden volledig te ontwikkelen en te gebruiken, teneinde te voorzien in programma's voor voortgezette beroepsopleiding.
(2) Bij de opleidingsprogramma's dient er, naar gelang van de behoeften en mogelijkheden, gebruik te worden gemaakt van massamedia, mobiele onderwijsinrichtingen, schriftelijke cursussen en andere leermiddelen gebaseerd op zelfwerkzaamheid.
18. De programma's voor basisopleiding, bestemd voor jongeren die nog slechts weinig of geen beroepservaring bezitten, dienen in het bijzonder te omvatten:
(a) algemene vorming gepaard aan een praktijkopleiding en daarop aansluitend theoretisch onderricht;
(b) een basisopleiding, gericht op de gemeenschappelijke theoretische en praktische kennis die vereist is voor verschillende aanverwante beroepen en die zou kunnen worden gegeven door een onderwijsinstelling, een instelling voor beroepsopleiding of binnen het bedrijf, al dan niet in werktijd;
(c) een theoretische en praktische specialisatie die rechtstreeks ten nutte kan worden gemaakt in bestaande of te creëren arbeidsplaatsen;
(d) een begeleide introductie in een reële werksituatie.
19.
(1) Bij de volledige dagcursussen voor de basisopleiding dient, zo vaak als de omstandigheden zulks toelaten, het theoretisch onderwijs dat wordt gegeven door opleidingsinstellingen zoveel mogelijk gelijk op te gaan met de opleiding die op het werk zelf binnen de bedrijven wordt gegeven, zodat dit theoretische onderwijs aansluit bij de reële werksituatie; evenzo dient de praktijkopleiding die niet op het werk wordt gegeven, zoveel mogelijk, aan te sluiten bij de reële werksituatie.
(2) De opleiding op het werk als onderdeel van het onderwijs dat wordt gegeven door opleidingsinstellingen dient te worden opgezet volgens een plan dat door de bedrijven, de instellingen en de vertegenwoordigers van de betrokken werknemers gezamenlijk is opgesteld, ten einde:
(a) het de cursisten mogelijk te maken de kennis die zij buiten het werk hebben opgedaan, in praktijk te brengen in hun werksituatie;
(b) hen met die aspecten van het beroep te laten kennismaken die men slechts binnen het bedrijf kan leren kennen;
(c) de jongeren die slechts weinig of geen beroepservaring bezitten, vertrouwd te maken met de eisen en de omstandigheden waartegenover zij zich geplaatst zouden kunnen zien in hun werk alsmede met hun verantwoordelijkheden bij werk in groepsverband.
20. Personen die na voltooiing van de volledige dagcursussen, bedoeld onder paragraaf 19 hierboven, voor het eerst gaan werken, dienen in de gelegenheid te worden gesteld tot het volgen van:
(a) een introductiecursus waarbij zij vertrouwd worden gemaakt met de aard en de doelstellingen van het bedrijf en de omstandigheden waaronder het werk daar wordt verricht;
(b) een systematische aanvullende opleiding op het werk tegelijk met de nodige theoretische cursussen;
(c) voor zover mogelijk stages gericht op een aantal leerzame werkzaamheden en functies, die tevens de aanpassing aan de arbeidsplaats op het oog hebben.
21. De bevoegde autoriteiten dienen, na raadpleging van de werkgevers- en werknemersorganisaties en binnen het raam van de nationale planning en wetgeving, nationale of regionale plannen op te stellen voor nascholing, die aansluiten bij de werkgelegenheidssituatie.
22.
(1) De bedrijven dienen, in overleg met de vertegenwoordigers van de werknemers, de betrokkenen en hun superieuren, voor hun personeel op alle niveaus van vakbekwaamheid en verantwoordelijkheid, plannen voor nascholing op te stellen en deze op gezette tijden te herzien. Hiertoe kan een gezamenlijke commissie worden ingesteld.
(2) Deze plannen dienen:
(a) mogelijkheden te bieden zich te bekwamen voor een hoger niveau van vakkundigheid en verantwoordelijkheid;
(b) te zijn gericht zowel op technische en andere opleidingen als op beroepservaring voor de betrokkenen;
(c) rekening te houden met aanleg en belangstelling van de betrokkenen zowel als met de eisen van het werk.
3. De superieuren dienen verplicht te zijn daadwerkelijk bij te dragen tot het welslagen van de plannen voor nascholing.
4. De verantwoordelijkheid op organisatorisch niveau voor het opstellen, het uitvoeren en het herzien van de plannen voor nascholing dient duidelijk te worden omschreven en zoveel mogelijk te worden gelegd hetzij bij een speciaal orgaan, hetzij bij een of meer personen die werkzaam zijn op een niveau dat in overeenstemming is met een dergelijke verantwoordelijkheid.
23.
(1) De werknemers die binnen het bedrijf een opleiding ontvangen, dienen:
(a) een toereikende vergoeding of toelage te ontvangen;
(b) in aanmerking te komen voor dezelfde sociale voorzieningen als het gewone personeel van het bedrijf.
(2) De werknemers die hun opleiding buiten het bedrijf ontvangen, dienen een scholings- en vormingsverlof te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag en de Aanbeveling betreffende betaald scholings- en vormingsverlof, 1974.
B. Normen en richtlijnen voor beroepsopleiding
24.
- Regeling
- Verdrag betreffende de rol van beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding bij de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 19-06-1980
- BWB-id
- BWBV0003733
- Versie
- 1980-06-19_0