I — Nationaal beleid Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces
Nationaal beleid
1. Ten einde het in artikel 1 van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973, beoogde doel te bereiken, dienen het nationaal beleid en de nationale ontwikkelingsprogramma's een hoge prioriteit toe te kennen aan het treffen van maatregelen met het oog op de behoeften van kinderen en jeugdige personen, aan het scheppen van voorzieningen die aan deze behoeften tegemoetkomen, alsmede aan een geleidelijke uitbreiding van gecoördineerde maatregelen; noodzakelijk om de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen en jeugdige personen in de meest gunstige omstandigheden te waarborgen.
2. In het kader van deze programma's en maatregelen dient bijzondere aandacht te worden besteed aan punten als:
a) de door ieder land aanvaarde verplichting een beleid te voeren inzake volledige werkgelegenheid, overeenkomstig het Verdrag en de Aanbeveling betreffende het beleid inzake de werkgelegenheid, 1964, alsmede het aanvaarden van maatregelen die ten doel hebben op het platteland en in de stedelijke gebieden een op de werkgelegenheid gerichte ontwikkeling te bevorderen;
b) de geleidelijke uitbreiding van andere economische en sociale maatregelen ten einde de armoede, waar deze bestaat, te verminderen en de gezinnen een zodanige levensstandaard en een zodanig inkomensniveau te waarborgen dat zij niet hun toevlucht behoeven te nemen tot economische activiteiten van kinderen;
c) de aanvaarding en geleidelijke uitbreiding, zonder enige vorm van discriminatie, van bepalingen betreffende de sociale zekerheid en van maatregelen aangaande het welzijn van de gezinnen, die ten doel hebben de verzorging van de kinderen, met inbegrip van de toekenning van kinderbijslag, te waarborgen;
d) het scheppen en geleidelijk uitbreiden van voldoende faciliteiten ten aanzien van de opvoeding, beroepsoriëntatie en -opleiding, die zowel naar vorm als naar inhoud zijn aangepast aan de behoeften van de betrokken kinderen en jeugdige personen;
e) het scheppen en geleidelijk uitbreiden van geëigende faciliteiten, gericht op de bescherming en het welzijn van kinderen en jeugdige personen (met inbegrip van tewerkgestelde jeugdige personen) alsmede het bevorderen van hun ontwikkeling.
3. Voor zover noodzakelijk dient bijzondere aandacht te worden geschonken aan de behoeften van kinderen en jeugdige personen die niet tot een gezin behoren of niet in gezinsverband leven, en aan migrerende kinderen en jeugdige personen die leven en reizen in gezinsverband. De in dit opzicht te nemen maatregelen dienen met name de toekenning van beurzen en de beroepsopleiding te behelzen.
4. Volledig dagonderwijs of volledige deelname aan goedgekeurde programma's voor beroepskeuzevoorlichting of programma's voor beroepsopleiding dient verplicht te zijn en op doeltreffende wijze te worden gewaarborgd tot op een leeftijd die ten minste gelijk is aan de leeftijd voor toelating tot de arbeid, zoals die is omschreven in artikel 2 van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.
5.
(1) Maatregelen dienen te worden overwogen zoals een voorbereidende, risicovrije opleiding, voor die vormen van arbeid in en buiten dienstverband waarvoor de voorgeschreven minimumleeftijd, overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973, hoger is dan de leeftijd waarop de leerplicht voor volledig dagonderwijs eindigt.
(2) Soortgelijke maatregelen dienen te worden overwogen wanneer de eisen voor een bepaald beroep een minimumleeftijd voor toelating tot de arbeid omvatten die hoger is dan de leeftijd waarop de leerplicht voor volledig dagonderwijs eindigt.
- Regeling
- Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 14-09-1977
- BWB-id
- BWBV0003701
- Versie
- 1977-09-14_0