wetzoeker

Hoofdstuk III — Andere voorschriften Verdrag inzake het wegverkeer

Andere voorschriften

Stuurinrichting

46. Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een deugdelijke stuurinrichting die de bestuurder in staat stelt het voertuig gemakkelijk, snel en accuraat van richting te doen veranderen.

Achteruitkijkspiegels en andere voorzieningen voor indirect zicht

47. Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met één of meer voorzieningen, zoals achteruitkijkspiegels, waardoor de bestuurder in staat wordt gesteld het achter zijn of haar voertuig rijdende verkeer te zien.

Apparaat voor het geven van geluidssignalen

48. Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met ten minste één apparaat voor het geven van geluidssignalen van voldoende geluidssterkte. Het geluid dat door dit apparaat wordt voortgebracht dient onafgebroken en van vaste toonhoogte maar niet schel te zijn. Voorrangsvoertuigen en voertuigen ten dienste van het openbare personenvervoer mogen bovendien een ander apparaat voor het geven van geluidssignalen hebben, dat niet aan bovengenoemde eisen hoeft te voldoen.

Ruitenwisser

49. Elk motorvoertuig met een voorruit van zodanige afmetingen en vorm dat de bestuurder de weg vóór hem alleen op normale wijze kan zien door het doorzichtige deel van de voorruit, dient te zijn uitgerust met ten minste één doeltreffende en deugdelijke ruitenwisser die op de juiste plaats is aangebracht, en waarvan de werking geen voortdurende handeling van de bestuurder vereist.

Ruitensproeier

50. Elk motorvoertuig dat met ten minste één ruitenwisser dient te zijn uitgerust, moet ook zijn uitgerust met een ruitensproeier.

Voorruit en andere ruiten

51. Voor alle motorvoertuigen en alle aanhangwagens geldt:

(a) Doorzichtige materialen die deel uitmaken van het koetswerk van het voertuig, inclusief de voorruit en schotten in de binnenruimte, dienen zodanig te zijn dat, in geval van breuk, het gevaar voor lichamelijk letsel tot een minimum beperkt blijft.

(b) Doorzichtige delen van de voorruit dienen van een materiaal te zijn vervaardigd, waarvan de doorzichtigheid niet vermindert; zij moeten zodanig zijn dat zij geen noemenswaardige vertekening veroorzaken van voorwerpen die door de voorruit worden gezien, en dat, in geval van reuk, de bestuurder nog een voldoende duidelijk uitzicht op de weg heeft.

Achteruitrij-inrichting

52. Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een achteruitrij-inrichting, die vanaf de zitplaats van de bestuurder kan worden bediend. Deze inrichting is echter niet verplicht voor motorfietsen of voor driewielige motorvoertuigen, waarvan de wielen symmetrisch zijn geplaatst ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, tenzij hun maximum toegestane massa meer dan 400 kg bedraagt.

Geluidsdemper

53. Elke verbrandingsmotor die wordt gebruikt voor het voortbewegen van een motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een doeltreffende geluidsdemper op de uitlaat.

Banden

54. De wielen van motorvoertuigen en van hun aanhangwagens dienen te zijn uitgerust met luchtbanden die een goed contact met de weg waarborgen, zelfs op een natte weg. Deze bepaling belet de Verdragsluitende Partijen echter niet het gebruik van inrichtingen toe te staan die resultaten opleveren die ten minste gelijkwaardig zijn aan die, verkregen met luchtbanden.

Snelheidsmeter

55. Elk motorvoertuig dat op een vlakke weg een hogere snelheid dan 40 km per uur kan bereiken, dient met een snelheidsmeter te zijn uitgerust; de Verdragsluitende Partijen kunnen bepaalde categorieën motorfietsen en andere lichte voertuigen echter vrijstelling van dit voorschrift verlenen.

Waarschuwingsapparaat dat in motorvoertuigen aanwezig dient te zijn

56. Het apparaat, als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van dit Verdrag en in paragraaf 6 van Bijlage 1 daarbij, dient te zijn:

(a) een bord dat bestaat uit een gelijkzijdige driehoek voorzien van een rode rand, en waarvan het binnenste open of lichtgekleurd is; de rode rand dient te zijn voorzien van een strook reflecterend materiaal. Ook mag dit bord zijn voorzien van een rood fluorescerend gedeelte en/of worden verlicht door doorzichtigheid; dit bord dient zodanig te zijn dat het stevig rechtop kan staan, of

(b) een ander even doeltreffend apparaat, voorgeschreven door de nationale wetgeving van het land waar het voertuig is ingeschreven.

Inrichting ter voorkoming van diefstal

57. Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een inrichting ter voorkoming van diefstal, door middel waarvan een van de essentiële onderdelen buiten werking gesteld kan worden ofwel kan worden vergrendeld, wanneer het voertuig is geparkeerd.

Veiligheidsvoorzieningen

58. Telkens wanneer dit technisch uitvoerbaar is, dienen alle naar voren gerichte zitplaatsen van voertuigen van categorie B zoals bedoeld in bijlage 6 en 7 van dit Verdrag, met uitzondering van voertuigen geconstrueerd of gebruikt voor speciale doeleinden zoals omschreven in de nationale wetgeving, te worden uitgerust met goedgekeurde veiligheidsgordels of goedgekeurde voorzieningen met een vergelijkbare werking.

Algemene bepalingen

59.

(a) De mechanische delen en de uitrusting van een motorvoertuig dienen, voor zover dit naar vermogen kan worden vermeden, geen brand- of ontploffingsgevaar te kunnen veroorzaken; bovendien mogen zij geen overmaat aan giftige gassen, ondoorzichtige dampen, stank of lawaai produceren.

(b) Voor zover mogelijk dient het hoogspanningsgedeelte van de ontsteking van een motorvoertuig zo min mogelijk radiostoring te veroorzaken;

(c) Elk motorvoertuig dient zodanig te zijn geconstrueerd dat het gezichtsveld van de bestuurder recht vooruit en zowel naar links als naar rechts, voldoende is om hem in staat te stellen op veilige wijze te rijden.

(d) Motorvoertuigen en aanhangwagens dienen voor zover mogelijk zodanig te zijn geconstrueerd en ingericht dat, in geval van een ongeluk, het gevaar voor de inzittenden en voor andere weggebruikers zoveel mogelijk wordt beperkt. Met name mogen, van binnen noch van buiten, ornamenten of andere voorwerpen aanwezig zijn met onnodige uitsteeksels of randen, die gevaar kunnen opleveren voor de inzittenden of voor andere weggebruikers.

(e) Voertuigen met een maximum toegestaan totaal gewicht (toegestane maximum massa) van meer dan 3,5 t dienen, voor zover mogelijk, aan de zijkant en de achterzijde te worden voorzien van een beschermingsinrichting tegen klemrijden.

Regeling
Verdrag inzake het wegverkeer
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
09-02-2025
BWB-id
BWBV0003507
Versie
2025-02-09_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl