Hoofdstuk II — Voertuigverlichting en inrichtingen voor lichtsignalen (deel 1) Verdrag inzake het wegverkeer
Voertuigverlichting en inrichtingen voor lichtsignalen
A. Begripsomschrijvingen
19. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. „Groot licht” – een licht dat dient om de weg over een grote afstand vóór het voertuig te verlichten;
b. „Dimlicht” – een licht dat dient om de weg vóór het voertuig te verlichten zonder de bestuurders van tegemoetkomende voertuigen en andere weggebruikers onnodig te verblinden of te hinderen;
c. „Adaptief koplampsysteem” – een verlichtingsinrichting die lichtbundels produceert waarvan de eigenschappen zich automatisch aan de wisselende gebruiksomstandigheden van het dimlicht en/of het groot licht aanpassen;
d. „Hoeklicht” – een licht dat dient voor aanvullende verlichting van dat deel van de weg dat zich bij de voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien;
e. „Bochtverlichting” – een verlichtingsfunctie voor betere verlichting in bochten;
f. „Breedtelicht-voor (stadslicht)” – het licht dat dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig kenbaar te maken wanneer het van voren wordt gezien;
g. „Breedtelicht-achter (achterlicht)” – het licht dat dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig kenbaar te maken wanneer het van achteren wordt gezien;
h. „Stoplicht” – het licht dat dient om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden erop te attenderen dat de longitudinale beweging van het voertuig opzettelijk wordt vertraagd;
i. (gg) “Mistvoorlicht” – een licht dat dient om de verlichting van de weg vóór het voertuig te verbeteren in geval van mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht;
j. „Mistachterlicht” – een licht dat dient om het voertuig aan de achterzijde beter zichtbaar te maken in geval van mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht;
k. „Achteruitrijlicht” – een licht dat dient om de weg achter het voertuig te verlichten en andere weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruit rijdt of op het punt staat achteruit te gaan rijden of, in het geval van optionele extra achteruitrijlichten, om te voorzien in verlichting aan de zijkant bij langzame manoeuvres;
l. „Manoeuvreerlicht” – een licht dat dient om bij trage manoeuvres voor extra verlichting te zorgen aan de zijkant van het voertuig;
m. „Richtingaanwijzerlicht” – een licht dat dient om aan andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder voornemens is naar rechts of links van richting te veranderen;
n. (ll) “Parkeerlicht” – een licht dat wordt gebruikt om de aandacht te vestigen op de aanwezigheid van een binnen de bebouwde kom geparkeerd voertuig. Het kan in dat geval de breedte- en achterlichten vervangen;
o. „Markeringslicht” – een licht dat dicht bij de buitenste rand van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht om de totale breedte van het voertuig duidelijk aan te geven. Dit licht is bestemd om bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door bijzondere aandacht te vestigen op hun omvang;
p. „Waarschuwingsknipperlicht” – een lichtsignaal dat wordt gegeven door het gelijktijdig in werking zijn van alle richtingaanwijzerlichten van een voertuig;
q. „Zijmarkeringslicht” – een licht dat dient om, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig aan te geven;
r. „Speciaal waarschuwingslicht” – een licht dat dient ter aanduiding van ofwel voorrangsvoertuigen ofwel een voertuig, of groep voertuigen, waarvan de aanwezigheid op de weg een gevaar of ongemak voor andere weggebruikers kan opleveren;
s. „Achterkentekenplaatlicht” – een voorziening die dient om de plaats die gereserveerd is voor de achterkentekenplaat te verlichten. Deze kan uit verschillende optische componenten bestaan;
t. „Dagrijlicht” – een licht dat bedoeld is om het voertuig tijdens het rijden overdag beter zichtbaar te maken aan de voorzijde;
u. „Comfortverlichting buiten” – een licht dat dient om bij het in- en uitstappen van voertuigbestuurder en passagier of bij het laden en lossen voor extra verlichting te zorgen;
v. „Retroreflector” – een voorziening die dient om de aanwezigheid van een voertuig aan te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron;
w. „Opvallende markering” – een voorziening die dient om een voertuig van de zij- of achterkant (of, bij aanhangwagens, ook van de voorkant) gezien meer zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron;
x. „Lichtgevend oppervlak” – de orthogonale projectie van het licht op een vlak dat loodrecht staat op de referentieas ervan en raakt aan het lichtuitstralende buitenoppervlak van het licht. Bij een retroreflector wordt het lichtuitstralende oppervlak geacht te worden begrensd door met die as evenwijdige raakvlakken aan de buitenste delen van het optische systeem van de retroreflector.
B. Technische eisen
20. Beginselen
20.1. De kleuren van de lichten die in dit hoofdstuk worden genoemd dienen, zoveel mogelijk, overeen te stemmen met de omschrijvingen in de internationale rechtsinstrumenten betreffende wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen.
1) De Reglementen van de Verenigde Naties gehecht aan de „Overeenkomst betreffende de vaststelling van geharmoniseerde technische reglementen van de Verenigde Naties voor voertuigen op wielen en voor uitrustingsstukken en onderdelen die daarop kunnen worden gemonteerd en/of gebruikt, en betreffende de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen die krachtens die reglementen van de Verenigde Naties zijn verleend”, gedaan te Genève op 20 maart 1958, of de Mondiale Technische Reglementen van de Verenigde Naties opgesteld in het kader van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen, gedaan te Genève op 25 juni 1998.
20.2. Een specifieke verlichtingsfunctie kan door meer dan één licht worden uitgevoerd.
20.3. De lichten op een bepaald voertuig, die dezelfde functie hebben en hun licht in dezelfde richting uitstralen, dienen van dezelfde kleur te zijn.
Even aantallen lichten en retroreflectoren dienen symmetrisch te worden geplaatst ten opzichte van het longitudinale mediaanvlak van het voertuig, behalve op voertuigen met een asymmetrische buitenomtrek. De sterkte van elk paar lichten dient onderling substantieel gelijk te zijn. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op een adaptief koplampsysteem.
20.4. Lichten van verschillende aard en, onverminderd de bepalingen in andere paragrafen van dit hoofdstuk, lichten en retroreflectoren, mogen in dezelfde inrichting/voorziening worden gegroepeerd of ingebouwd, op voorwaarde dat elk van deze lichten en reflectoren voldoen aan de daarop van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage.
21. Groot licht, dimlicht, adaptief koplampsysteem en lichtgevend oppervlak
21.1. Met uitzondering van motorfietsen, dient elk motorvoertuig met een toegestane maximum constructiesnelheid van meer dan 40 km per uur aan de voorzijde uitgerust te zijn met een even aantal witte grote lichten of de relevante onderdelen van een adaptief koplampsysteem.
21.2. Met uitzondering van motorfietsen, dient elk motorvoertuig met een toegestane maximum constructiesnelheid van meer dan 10 km per uur aan de voorzijde uitgerust te zijn met twee witte dimlichten of de relevante onderdelen van een adaptief koplampsysteem.
21.3. Onverminderd de mogelijkheid dat voor bromfietsen van alle of van enkele van deze verplichtingen ontheffing kan worden verleend door de Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van het Verdrag, hebben verklaard bromfietsen als motorfietsen te beschouwen:
a. dient elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspanwagen te zijn uitgerust met een of twee witte dimlichten;
- Regeling
- Verdrag inzake het wegverkeer
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 09-02-2025
- BWB-id
- BWBV0003507
- Versie
- 2025-02-09_0