Hoofdstuk I — Remmen (deel 1) Verdrag inzake het wegverkeer
Remmen
4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
(a) „wielen van dezelfde as” wielen, die symmetrisch of grotendeels symmetrisch zijn aangebracht ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, zelfs wanneer zij niet op dezelfde as zijn aangebracht (een tandem-as wordt als twee assen beschouwd);
(b) „bedrijfsrem” de inrichting die gewoonlijk wordt gebruikt om het voertuig snelheid te doen verminderen en om het tot stilstand te brengen;
(c) „parkeerrem” de inrichting die wordt gebruikt om het voertuig in stilstand te houden tijdens afwezigheid van de bestuurder, of, waar het aanhangwagens betreft, wanneer de aanhangwagen is losgekoppeld;
(d) „noodrem” de inrichting die is bedoeld om een voertuig snelheid te doen verminderen en tot stilstand te brengen in geval van het falen van de bedrijfsrem.
A. Het remmen van motorvoertuigen met uitzondering van motorfietsen
5. Elk motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, dient met remmen te zijn uitgerust die gemakkelijk door de bestuurder kunnen worden bediend wanneer door deze de plaats voor de bestuurder is ingenomen. Deze remmen moeten het mogelijk maken de drie volgende remfuncties te verzekeren:
(a) een bedrijfsrem die het mogelijk maakt op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van het voertuig te verminderen en dit tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en de wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop het voertuig rijdt;
(b) een parkeerrem die het mogelijk maakt het voertuig in stilstand te houden, ongeacht de mate en wijze van belading, op een sterke opwaartse of nederwaartse helling, waarbij de remoppervlakken door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting vergrendeld dienen te worden gehouden;
(c) een noodrem die het mogelijk maakt, zelfs in geval van het falen van de bedrijfsrem, de snelheid van het voertuig te verminderen en het binnen redelijke afstand tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading.
6. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 5 van deze Bijlage mogen de inrichtingen waarmee de drie remfuncties worden uitgeoefend (bedrijfsrem, noodrem en parkeerrem) delen gemeenschappelijk hebben; een combinatie van de bedieningsinrichtingen is slechts toegelaten onder voorwaarde dat er ten minste twee afzonderlijke bedieningsinrichtingen overblijven.
7. De bedrijfsrem dient te werken op alle wielen van het voertuig.
8. De noodrem dient ten minste te werken op één wiel aan elke zijde van het mediaanvlak van het voertuig; deze zelfde eis geldt eveneens voor de parkeerrem.
9. De bedrijfsrem en de parkeerrem dienen te werken op remoppervlakken die blijvend met de wielen zijn verbonden door middel van delen van voldoende sterkte.
10. Geen remoppervlak mag van de wielen kunnen worden ontkoppeld. Een dergelijke ontkoppeling is evenwel voor bepaalde remoppervlakken toegestaan, onder voorwaarde dat:
(a) het slechts tijdelijk is, zoals bij voorbeeld tijdens een verandering in de overbrengingsverhoudingen;
(b) het, wat de parkeerrem betreft, slechts door een handeling van bestuurder mogelijk is;
(c) het, wat de bedrijfs- en de noodrem betreft, mogelijk blijft te remmen met de doeltreffendheid, zoals voorgeschreven in paragraaf 5 van deze Bijlage.
10bis. Alle uitrustingstukken van voertuigen die bijdragen aan het remmen moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat de bedrijfsrem ook na lang en herhaald gebruik goed functioneert.
10ter. De werking van de bedrijfsrem dient op de juiste wijze over de assen van het voertuig te zijn verdeeld en te zijn gesynchroniseerd.
10quater. Indien de bedrijfsrem geheel of gedeeltelijk wordt bekrachtigd door een energiebron anders dan de spierkracht van de bestuurder, dan moet het voertuig binnen een redelijke afstand tot stilstand gebracht kunnen worden, zelfs wanneer de energiebron uitvalt.
B. Het remmen van aanhangwagens
11. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 17 (c) van deze Bijlage dient elke aanhangwagen, met uitzondering van een lichte aanhangwagen, met de volgende remmen te zijn uitgerust:
(a) Een bedrijfsrem die het mogelijk maakt op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van het voertuig te verminderen en dit tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop het voertuig rijdt.
(b) Een parkeerrem die het mogelijk maakt het voertuig in stilstand te houden, ongeacht de mate en wijze van belading, op een sterke opwaartse of nederwaartse helling, waarbij de werkzame remoppervlakken door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting vergrendeld dienen te worden gehouden. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens die niet zonder het gebruik van gereedschap van het trekkende voertuig kunnen worden losgekoppeld, mits aan de eisen ten aanzien van parkeerremmen voor het samenstel van voertuigen is voldaan.
12. De inrichtingen die de twee remfuncties uitoefenen (bedrijfs- en parkeerrem) mogen delen gemeenschappelijk hebben.
13. De bedrijfsrem dient te werken op alle wielen van de aanhangwagen. De werking van de rem dient op de juiste wijze over de assen van de aanhangwagen te zijn verdeeld en te zijn gesynchroniseerd.
14. De bedrijfsrem moet in werking kunnen worden gesteld door de bedrijfsrem-bedieningsinrichting van het trekkende voertuig; indien echter het maximum toegestane massa van de aanhangwagen 3 500 kg niet overschrijdt, mag de rem zodanig zijn dat indien de aanhangwagen rijdende is, zij slechts in werking wordt gesteld wanneer de aanhangwagen het trekkende voertuig dichter nadert (oplooprem).
15. De bedrijfsrem en de parkeerrem dienen te werken op remoppervlakken die blijvend met de wielen zijn verbonden door middel van delen van voldoende sterkte.
16. De reminrichtingen dienen zodanig te zijn dat de aanhangwagen automatisch tot stilstand wordt gebracht indien de koppeling onder het rijden zou breken. Deze eis geldt echter niet voor aanhangwagens met slechts één as, of met twee assen die minder dan 1 m van elkaar verwijderd zijn, mits het maximum toegestane massa 1 500 kg niet overschrijdt en, met uitzondering van opleggers, mits zij, behalve met de koppelingsinrichting, zijn uitgerust met een hulpkoppeling.
C. Het remmen van samenstellen van voertuigen
17. Behalve de bepalingen van de delen A en B van dit hoofdstuk, die betrekking hebben op afzonderlijke voertuigen (motorvoertuigen en aanhangwagens), zijn de volgende bepalingen van toepassing op samenstellen van zulke voertuigen:
(a) De reminrichtingen van elk van de voertuigen waaruit een samenstel bestaat dienen onderling passend te zijn.
(b) De werking van de bedrijfsrem dient op de juiste wijze over de verschillende assen van de samenstellende voertuigen te zijn verdeeld en te zijn gesynchroniseerd.
(c) Het maximum toegestane massa van een aanhangwagen zonder een bedrijfsrem mag niet meer bedragen dan de helft van de som van het ledig massa van het trekkende voertuig en het massa van de bestuurder.
D. Het remmen van motorfietsen
18.
a. Elke motorfiets dient te zijn uitgerust met twee remmen, waarvan ten minste één op het achterwiel of de achterwielen werkt, en de andere ten minste op het voorwiel of de voorwielen; indien een zijspanwagen aan de motorfiets is bevestigd, is geen afzonderlijke rem voor het wiel van de zijspanwagen vereist. Deze reminrichting dient het mogelijk te maken op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van de motorfiets te verminderen en deze tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop deze rijdt;
- Regeling
- Verdrag inzake het wegverkeer
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 09-02-2025
- BWB-id
- BWBV0003507
- Versie
- 2025-02-09_0