III — Ontwerp-protocol nopens de interpretatie van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (deel 1) Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
Ontwerp-protocol nopens de interpretatie van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
8. De bespreking van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken heeft aangetoond dat het bijzonderheden vertoont die een aparte procedure rechtvaardigen voor de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie.
Ook al werd algemeen erkend dat het noodzakelijk was om de uniforme interpretatie van dit Verdrag te verzekeren, om daartoe nieuwe bevoegdheden aan het Hof van Justitie toe te kennen en om een in hoge mate op artikel 177 geïnspireerd systeem te kiezen, toch werd ook de vrees geuit dat het prejudiciële beroep zoals dat in artikel 177 wordt beschreven gezien het aantal en de verscheidenheid van de geschillen waarop het Verdrag van toepassing is, door een der proces-partijen kan worden benut om het proces te rekken of als pressiemiddel tegen een tegenpartij met bescheiden financiële middelen, kortom kan worden misbruikt.
1°) Dit Verdrag zal waarschijnlijk in een groot aantal gevallen voor toepassing in aanmerking komen. Het bevat namelijk niet alleen regelingen voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, maar regelt ook de rechterlijke bevoegdheid in de internationale rechtsorde, en met name in alle gevallen waarin iemand dient te verschijnen voor een rechter van een Verdragsluitende Staat op wiens grondgebied hij niet woonachtig is. Bovendien betreft het niet beperkte sectoren zoals bij voorbeeld het Verdrag inzake de erkenning van vennootschappen, maar het vermogensrechtelijke aspect van het gehele burgerlijke recht en van het handelsrecht (geschillen op het gebied van overeenkomsten van elke aard, wettelijke aansprakelijkheid, alimentatieverplichtingen, enz. ).
2°) In het stadium van de erkenning en de tenuitvoerlegging bepaalt het Verdrag in artikel 34 dat het gerecht tot hetwelk het verzoek is gericht om de beslissing te voorzien van het verlof tot tenuitvoerlegging onverwijld uitspraak doet zonder dat de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd in deze stand van de procedure wordt gehoord.
Het is duidelijk dat een prejudicieel beroep in dit stadium bij het Hof van Justitie het doel van het Verdrag zou miskennen omdat dit, door de vernieuwing bestaande uit eenmaking van de exequaturprocedure en de instelling van een unilaterale procedure, erop gericht is dilatoire acties te vermijden en de gedaagde te verhinderen zijn goederen aan elke maatregel van executie te onttrekken.
3°) Tenslotte mag niet uit het oog worden verloren dat de beslissingen van het Hof van Justitie over de uitlegging van het Verdrag, ten aanzien van de gevolgen voor partijen, verschillen van de beslissingen inzake de uitlegging van andere verdragen.
Indien het Hof namelijk een interpretatie van een regel van het Verdrag zou geven die inhoudt dat de rechterlijke instanties tot wie men zich heeft gewend niet bevoegd zijn, zou het mogelijk zijn dat de procedure van het begin af aan moet worden hervat, hetzij in een andere Staat dan die aan wiens gerecht de zaak aanvankelijk is voorgelegd, hetzij in voorkomend geval voor andere gerechten van een zelfde Staat (b.v. artikel 5 van het Verdrag waarin bijzondere competentieregels zijn voorzien).
9. Het in het Protocol gekozen systeem volgt het stelsel van artikel 177 afgezien van de aanpassingen die noodzakelijk werden geacht gelet op bovenstaande overwegingen. Dit systeem kan als volgt worden samengevat:
a) de rechterlijke instanties die zich tot het Hof kunnen wenden, worden met zoveel woorden aangeduid;
b) de bevoegdheid een prejudicieel beroep in te stellen bij het Hof wordt niet toegekend aan rechterlijke instanties die in eerste aanleg beslissen;
c) in het Protocol wordt gesteld dat de Hoven van Cassatie enz. gehouden zijn zich tot het Hof te wenden wanneer zij menen dat een beslissing van het Hof over een interpretatievraagstuk noodzakelijk is voor het wijzen van een vonnis;
d) een nieuwe mogelijkheid voor interpretatie door het Hof, die berust op het beginsel van cassatie in het belang der wet, wordt toegevoegd aan het prejudiciële beroep.
10. Artikel 1, dat gelijkenis vertoont met artikel 1 van het Protocol betreffende de interpretatie van het Verdrag inzake de onderlinge erkenning van vennootschappen en rechtspersonen, verleent het Hof bevoegdheid voor de uitlegging van het Verdrag van 27 september 1968, van het aangehechte Protocol en van het Protocol waarover dit verslag handelt.
11. In artikel 2 worden de nationale rechterlijke instanties genoemd die bevoegd zijn het Hof te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen.
1°) Uit deze opsomming volgt dat deze bevoegdheid niet wordt toegekend aan rechterlijke instanties die in eerste aanleg recht doen. Deze uitsluiting is er in de eerste plaats op gericht te vermijden dat in een te groot aantal gevallen om interpretatie door het Hof wordt verzocht en met name in gevallen van weinig belang.
Eveneens werd de mening geuit dat interpretatieverschillen bij de toepassing van het Verdrag tussen uitspraken van rechters die in eerste aanleg recht doen, bijvoorbeeld een Kantonrechter en een Ambtsgericht niet meer aandacht verdienen, wanneer deze beslissingen kracht van gewijsde verkrijgen, dan de verschillen in uitlegging die zich in een zelfde land kunnen voordoen tussen de beslissingen van lagere rechterlijke instanties. In dezelfde gedachtengang is opgemerkt dat het Hof van Justitie slechts recht dient te doen wanneer het volledig op de hoogte is. Hiertoe zouden de interpretatievraagstukken van tevoren door de nationale rechterlijke instanties moeten worden geklaard te meer daar het Hof van Justitie in het belang van de rechtszekerheid zijn jurisprudentie niet veelvuldig kan wijzigen.
2°) Artikel 2 noemt onder punt 1 de rechterlijke instanties die de bevoegdheid zullen hebben zich tot het Hof te wenden en, onder deze, de instanties die, overeenkomstig lid 1 van artikel 3, verplicht zullen zijn zich tot het Hof te wenden. Het leek noodzakelijk dit duidelijk te stellen. De huidige redactie van de derde alinea van artikel 177 heeft namelijk aanleiding gegeven tot interpretatieverschillen inzake de rechterlijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep (bijvoorbeeld de „abstracte” en de „concrete” theorie, ontwikkeld in Duitsland).
Verduidelijking op dit punt leek des te meer noodzakelijk omdat in het door het Protocol gekozen systeem de lagere rechters niet bevoegd zijn zich tot het Hof te wenden. In deze opsomming wordt eveneens rekening gehouden met het feit dat het Verdrag van 27 september 1968 slechts betrekking heeft op burgerrechtelijke en handelsrechtelijke aangelegenheden van vermogensrechtelijke aard en derhalve omvat de opsomming slechts de rechterlijke instanties die over deze aangelegenheden beslissen.
3°) Onder punt 2 wordt gezegd dat de bevoegdheid, zich tot het Hof te wenden, ook toekomt aan de rechterlijke instanties van een verdragsluitende Staat wanneer zij in beroep uitspraak doen. Het gaat hier dus niet alleen om de appelrechters, behalve in de uitzonderlijke gevallen wanneer deze in eerste aanleg uitspraak doen, maar ook om de andere rechterlijke instanties bijvoorbeeld de rechtbanken van een eerste aanleg wanneer die van een zaak in de hoedanigheid van appelrechter kennis nemen.
In de Bondsrepubliek Duitsland omvat de uitdrukking beroep het geval van het „Beschwerde”.
4°) Onder punt 3 wordt bepaald dat in de gevallen voorzien in artikel 37 van het Verdrag van 27 september 1968 zich ook kunnen wenden tot het Hof van Justitie de in dat artikel genoemde rechterlijke instanties. Dit artikel 37 betreft het beroep tegen de beslissing waarbij verlof wordt verleend het buitenlandse vonnis ten uitvoer te leggen.
- Regeling
- Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-12-1998
- BWB-id
- BWBV0003476
- Versie
- 1998-12-01_0