wetzoeker

I — Algemene beschouwingen Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Algemene beschouwingen

1. In Gemeenschappelijke Verklaring No. 3 van het Protocol bij het op 29 februari 1968 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de onderlinge erkenning van vennootschappen en rechtspersonen, hebben de Regeringen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen zich bereid verklaard, een studie te maken van de juiste middelen om verschillen in de uitlegging van het Verdrag te voorkomen. Hiertoe waren zij overeengekomen de mogelijkheid na te gaan om bepaalde bevoegdheden toe te kennen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en, voor zover nodig, over een daartoe strekkende overeenkomst te onderhandelen.

Een soortgelijke gemeenschappelijke verklaring is gehecht aan het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat op 27 september 1968 te Brussel is ondertekend. In deze verklaring wordt de mogelijkheid overwogen om aan het Hof van Justitie niet alleen bevoegdheden tot interpretatie toe te kennen, maar eveneens bevoegdheden voor het regelen van bevoegdheidsgeschillen die zich bij de toepassing van het Verdrag kunnen voordoen.

2. Bij de onderhandelingen over de tenuitvoerlegging van deze verklaring werd spoedig overeenstemming bereikt om nieuwe bevoegdheden aan het Hof toe te kennen en om een op artikel 177 van het Verdrag geïnspireerd systeem te gebruiken. Niettemin rees de vraag of een algemene overeenkomst moest worden opgesteld die van toepassing is op alle verdragen die krachtens artikel 220 gesloten zijn of worden, dan wel of het niet de voorkeur verdiende oplossingen te zoeken die rekening hielden met de eventuele bijzondere aspecten van elk dezer verdragen.

Om deze vraag te beantwoorden werd een bij uitstek pragmatische methode gekozen. Er werd een uitvoerige studie gemaakt van de twee reeds ondertekende Verdragen, namelijk dat betreffende de onderIinge erkenning van vennootschappen en rechtspersonen en dat betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

3. Deze studie heeft geleid tot de conclusie dat deze twee Verdragen verschillende kenmerken hebben, waardoor voor de interpretatie ervan door het Hof van Justitie een eigen regeling gewettigd is. Hoewel de mening is verdedigd dat de bevoegdheden van het Hof betreffende de interpretatie van alle op basis van artikel 220 van het Verdrag gesloten verdragen in één enkele tekst konden worden vastgesteld, werd er toch de voorkeur aan gegeven afzonderlijke protocollen te sluiten die beter beantwoorden aan de eisen van elk Verdrag.

4. Voor het sluiten van deze protocollen hoefde niet de procedure van artikel 236 van het Verdrag te worden gevolgd, omdat de protocollen betreffende de interpretatie van op basis van artikel 220 van het Verdrag gesloten verdragen geen herziening van het Verdrag ten doel hadden. Zij verlenen uitsluitend aan het Hof een nieuwe bevoegdheid die wordt toegevoegd aan zijn reeds bestaande bevoegdheden, zonder dat deze gewijzigd worden

1) Het Hof heeft herhaaldelijk nieuwe bevoegdheden gekregen, zonder dat de procedure van artikel 236 werd toegepast (interne akkoorden in het kader van associatieovereenkomsten - zie bijvoorbeeld PB No. 93 van 11.6.1964, blz. 1490/64 - bepalingen van Verordening No. 17 van de Raad over het toezicht van het Hof - PB No. 13 van 21.2.1962, blz. 204/62 - enz. ).

.

Regeling
Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-12-1998
BWB-id
BWBV0003476
Versie
1998-12-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl