wetzoeker

Voorschrift 16 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

VOORWAARDEN WAARAAN HET SCHIP MOET VOLDOEN VOOR HET VERKRIJGEN VAN EEN INTERNATIONAAL CERTIFICAAT VAN UITWATERING

1. Alle luiken op de plaatsen van categorie 1 en 2 moeten worden uitgerust met luiken van staal of een ander gelijkwaardig materiaal. Behoudens als bepaald in voorschrift 14, lid 2, moeten deze luiken waterdicht zijn en voorzien zijn van pakking en knevels. De middelen ter verkrijging en handhaving van waterdichtheid moeten ten genoegen van de Administratie zijn. De genomen maatregelen moeten zodanig zijn dat de waterdichtheid onder alle omstandigheden op zee kan worden gehandhaafd. Voor dit doel moeten de luiken bij het eerste onderzoek op de waterdichtheid worden beproefd; deze proeven kunnen ook geëist worden bij het periodieke onderzoek, alsmede bij de jaarlijkse onderzoeken, of met kortere tussenpozen.

Minimumontwerpbelastingen van de luiken

2. Ten aanzien van schepen met een lengte van 100 m of meer:

a. moeten luiken op plaatsen van categorie 1 die zich bevinden in het voorste kwart van de lengte van het schip zijn ontworpen voor belastingen door golven ter hoogte van de voorste loodlijn, berekend aan de hand van de volgende vergelijking:

Belasting = 5 + (LH-100)a in t/m2

waarbij:

LH is L voor schepen van ten hoogste 340 m lengte, doch ten minste 100 m lengte en gelijk aan 340 m voor schepen met een lengte van meer dan 340 m;

L is de lengte van het schip (meters), als omschreven in voorschrift 3;

a is vermeld in tabel 16.1,

en lineair verminderd tot 3,5 t/m2 aan het einde van de lengte van het voorste kwart, zoals vermeld in tabel 16.2. De voor elk luikschot gehanteerde ontwerpbelasting moet worden bepaald op het middelpunt ervan;

b. moeten alle andere luiken op een plaats van categorie 1 worden ontworpen op 3,5 t/m2;

c. moeten luiken op een plaats van categorie 2 worden ontworpen op 2,6 t/m2;

d. mag, wanneer een luikopening op een plaats van categorie 1 is gelegen op ten minste één standaardhoogte van de bovenbouw hoger dan het vrijboorddek, het luik worden ontworpen op 3,5 t/m2.

a

Vrijboord van schepen van het type B | 0,0074

Schepen aan welke een vermindering van vrijboord is toegewezen door voorschrift 27, lid 9 of 10 | 0,0363

Tabel 16.1

3. Ten aanzien van schepen met een lengte van 24 m:

a. moeten luiken op plaatsen van categorie 1 die zich bevinden in het voorste kwart van de lengte van het schip zijn ontworpen voor belastingen door golven van 2,43 t/m2 ter hoogte van de voorste loodlijn, en lineair verminderd tot 2 t/m2 aan het einde van de lengte van het voorste kwart, zoals vermeld in tabel 16.2. De voor elk luikschot gehanteerde ontwerpbelasting moet worden bepaald op het middelpunt ervan;

b. moeten alle andere luiken op een plaats van categorie 1 worden ontworpen op 2 t/m2;

c. moeten luiken op een plaats van categorie 2 worden ontworpen op 1,5 t/m2;

d. mag, wanneer een luikopening op een plaats van categorie 1 is gelegen op ten minste één standaardhoogte van de bovenbouw hoger dan het vrijboorddek, het luik worden ontworpen op 2 t/m2.

4. Bij schepen met een lengte tussen 24 m en 100 m, en bij posities tussen FP en 0,25L, worden de golfbelastingen verkregen door middel van lineaire interpolatie van de in tabel 16.2 vermelde waarden.

langsscheeps

FP | 0,25L | achter 0,25L

L>100 m

vrijboorddek | vergelijking in 16(2)(a) | 3,5 t/m2 | 3,5 t/m2

bovenbouwdek | 3,5 t/m2 | 2,6 t/m2

L=100 m

vrijboorddek | 5 t/m2 | 3,5 t/m2 | 3,5 t/m2

bovenbouwdek | 3,5 t/m2 | 2,6 t/m2

L=24 m

vrijboorddek | 2,43 t/m2 | 2 t/m2 | 2 t/m2

bovenbouwdek | 2 t/m2 | 1,5 t/m2

Tabel 16.2

5. Alle luiken moeten zodanig zijn ontworpen dat:

a. het product van de maximumtrekspanning vastgesteld in overeenstemming met bovengenoemde belastingen en de factor 1,25 niet meer bedraagt dan de minimumtreksterkte van het materiaal onder spanning en de kritieke vervormingskracht bij samendrukking;

b. de doorbuiging niet meer bedraagt dan 0,0056 maal de overspanning;

c. de beplating van staal die de bovenkant vormt van luiken een minimumdikte heeft van 1% van de onderlinge afstand tussen de verstijvingen, ofwel 6 mm, indien dit meer is; en

d. rekening wordt gehouden met een behoorlijke marge voor corrosie.

Vastzetmiddelen

6. De middelen ter verkrijging en handhaving van waterdichtheid via andere middelen dan pakking en knevels moeten ten genoegen van de Administratie zijn.

7. Luiken die op luikhoofden rusten moeten in gesloten stand worden gehouden door middel van voorzieningen die horizontaal bewegende ladingen onder alle omstandigheden op zee kunnen weerstaan.

Regeling
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBV0003267
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl