wetzoeker

Voorschrift 10 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

VOORWAARDEN WAARAAN HET SCHIP MOET VOLDOEN VOOR HET VERKRIJGEN VAN EEN INTERNATIONAAL CERTIFICAAT VAN UITWATERING

1. Aan de kapitein van elk nieuw schip moet voldoende informatie worden verstrekt teneinde hem in staat te stellen het laden en ballasten van zijn schip op zodanige wijze te regelen dat er geen onverantwoorde spanningen in de scheepsconstructie optreden. Van deze eis kan evenwel worden afgeweken in gevallen waarin de lengte, het ontwerp of de klasse van het schip zodanig is dat de Administratie oordeelt dat de toepassing ervan niet noodzakelijk is.

2. De informatie moet aan de kapitein worden verstrekt in een vorm die is goedgekeurd door de Administratie of een erkende organisatie. Informatie omtrent de stabiliteit en informatie omtrent de lading - wanneer krachtens lid 1 vereist eveneens in samenhang met de sterkte van het schip - moet te allen tijde aan boord aanwezig zijn, tezamen met bewijsstukken waaruit blijkt dat de informatie door de Administratie is goedgekeurd.

3. Een schip dat volgens het van kracht zijnde Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee na voltooiing geen hellingproef behoeft te ondergaan, moet:

a. aan een hellingproef worden onderworpen en de feitelijke waterverplaatsing en plaats van het zwaartepunt moeten worden bepaald voor de situatie bij leeg schip;

b. indien de Administratie zulks goedkeurt, zijn vrijgesteld van de hellingproef na voltooiing mits de fundamentele stabiliteitsgegevens beschikbaar zijn van de hellingproef van een zusterschip en ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat aan deze fundamentele gegevens betrouwbare informatie omtrent de stabiliteit van het schip kan worden ontleend;

c. indien de Administratie van oordeel is dat het uitvoeren van een hellingproef praktisch onuitvoerbaar of onveilig is of onjuiste resultaten oplevert als gevolg van de specifieke verhoudingen, voorzieningen, sterkte of vorm van de romp van een schip, de kenmerken bij leeg schip laten vaststellen door een gedetailleerde gewichtsraming die door middel van een onderzoek van het lege schip moet worden bevestigd;

d. ten behoeve van de kapitein de benodigde informatie aan boord hebben om de kapitein, door middel van snelle en eenvoudige processen, in staat te stellen zich een juist oordeel te vormen omtrent de stabiliteit van het schip onder alle omstandigheden die zich tijdens de normale exploitatie kunnen voordoen; en

e. te allen tijde de goedgekeurde informatie omtrent de stabiliteit aan boord hebben tezamen met bewijsstukken waaruit blijkt dat de informatie door de Administratie is goedgekeurd.

4. Wanneer aan een schip wijzigingen worden aangebracht waardoor de aan de kapitein verstrekte informatie omtrent het laden of de stabiliteit wezenlijk wordt beïnvloed, moet gewijzigde informatie worden verstrekt. Indien nodig moet het schip een nieuwe hellingproef ondergaan.

Regeling
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBV0003267
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl