wetzoeker

Voorschrift 39 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

VRIJBOORD

1. De boeghoogte (Fb), gedefinieerd als de verticale afstand van de lastlijn behorende bij het vastgestelde zomervrijboord en de ontworpen stuurlast tot de bovenkant van het blootgestelde dek in de zijde, gemeten ter plaatse van de voorloodlijn, mag niet kleiner zijn dan: Fb), gedefinieerd als de verticale afstand van de lastlijn behorende bij het vastgestelde zomervrijboord en de ontworpen stuurlast tot de bovenkant van het blootgestelde dek in de zijde, gemeten ter plaatse van de voorloodlijn, mag niet kleiner zijn dan:

Fb = (6075(L/100) - 1875(L/100)2 + 200(L/100)3) x (2,08 + 0,609Cb - 1,603Cwf - 0,0129(L/d1))

waarbij:

Fb | de berekende minimumboeghoogte is, in mm;

L | de lengte is als omschreven in voorschrift 3, in m;

B | de breedte naar de mal is als omschreven in voorschrift 3, in m;

d1 | de diepgang is op 85% van de kleinste holte naar de mal, in m;

Cb | de volheidscoëfficiënt is, als omschreven in voorschrift 3;

Cwf | de watervlakoppervlaktecoëfficiënt is van L/2 naar voren: Cwf = Awf/{(L/2) x B};

Awf | de watervlakoppervlakte is van L/2 naar voren bij de diepgang d1, in m2.

Bij schepen voor welke een houtvaartvrijboord wordt vastgesteld, moet bij de toepassing van lid 1 worden uitgegaan van het zomervrijboord (en niet het zomerhoutvaartvrijboord).

2. Wanneer de in lid 1 vereiste boeghoogte door middel van een zeeg wordt verkregen, moet de zeeg zich uitstrekken over ten minste 15% van de lengte van het schip, gemeten van de voorloodlijn. Wanneer zij wordt verkregen door het aanbrengen van een bovenbouw, dan moet de lengte van de bovenbouw zich uitstrekken vanaf de voorsteven tot een punt ten minste 0,07 L achter de voorste loodlijn gelegen en moet de bovenbouw gesloten zijn als omschreven in voorschrift 3, lid 10.

3. Ten behoeve van schepen die wegens bijzondere exploitatie-eisen niet kunnen voldoen aan de eisen van de leden 1 en 2 van dit voorschrift kunnen door de Administratie afwijkingen worden toegestaan.

4.

a. De zeeg van de bak mag in rekening worden gebracht, zelfs als de lengte van de bak kleiner is dan 0,15 L, maar groter dan 0,07 L, mits de hoogte van de bak niet kleiner is dan een halve standaardhoogte van de bovenbouw als omschreven in voorschrift 33 tussen 0,07 L en de voorste loodlijn.

b. Wanneer de hoogte van de bak kleiner is dan een halve standaardhoogte van de bovenbouw, als omschreven in voorschrift 33, kan de meegerekende boeghoogte als volgt worden bepaald:

i. Wanneer het vrijboorddek een zeeg heeft die zich uitstrekt van achter 0,15 L, door middel van een parabolische kromme die zijn oorsprong heeft op 0,15 L achter de voorste loodlijn op een hoogte gelijk aan de diepte van het schip midscheeps, doorlopend door het snijpunt van het schot van de bak en het dek, en tot aan een punt ter hoogte van de voorste loodlijn niet hoger dan het niveau van het bakdek (als weergegeven in figuur 39.1). Indien de waarde van de hoogte ht in figuur 39.1 echter kleiner is dan de waarde van de hoogte hb, dan mag ht in de beschikbare boeghoogte worden vervangen door hb.

ii. Wanneer het vrijboorddek een zeeg heeft die zich over minder dan 0,15 L uitstrekt of geen zeeg heeft, door middel van een lijn van het bakdek in de zijde op 0,07 L die evenwijdig aan de basislijn wordt doorgetrokken naar de voorste loodlijn (als weergegeven in figuur 39.2).

De vertaling van de teksten in figuur 39.1 luidt als volgt:

standaardparabool

meegerekende boeghoogte

hf = de halve standaardhoogte van de bovenbouw als omschreven in voorschrift 33.

5. Alle schepen waaraan een vrijboord van het type B is toegewezen, anders dan olietankschepen, chemicaliëntankschepen en gastankschepen

* Olietankschepen, chemicaliëntankschepen en gastankschepen worden omschreven in het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, respectievelijk in de voorschriften II-1/2.12, VII/8.2 en VII/11.2.

, moeten aanvullend reservedrijfvermogen aan de voorzijde hebben.

Binnen het bereik van 0,15 achter de voorste loodlijn, mag de som van de projectie van de oppervlakte tussen de lijn voor zomeruitwatering en het dek in de zijde (A1 en A2 in figuur 39.3) en de projectie van de oppervlakte van een ingesloten bovenbouw, indien aangebracht, (A3) niet minder bedragen dan:

(0,15Fmin + 4(L/3 + 10))L/1000 m2,

waarbij:

Fmin | wordt berekend door: Fmin = (F0 x f1) + f2;

F0 | het basisvrijboord is, in mm, uit tabel 28.2, gecorrigeerd voor voorschrift 27, lid 9, of lid 10, naar gelang van toepassing;

f1 | de correctie voor volheidscoëfficiënt is als vermeld in voorschrift 30; en

f2 | de correctie voor diepte is, in mm, als vermeld in voorschrift 31.

Regeling
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBV0003267
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl