wetzoeker

Voorschrift 36 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

VRIJBOORD

1. Een trunk of soortgelijke constructie die zich niet tot de scheepsboorden uitstrekt wordt in rekening gebracht, mits:

a. de trunk ten minste even sterk is als de bovenbouw;

b. de luikopeningen op het trunkdek zijn aangebracht en de luikhoofden en luiken voldoen aan de eisen van de voorschriften 13 tot en met 16 en de breedte van de stringerplaat van het trunkdek een voldoende gangboord vormt en toereikende dwarsscheepse verstijving verzekert. Kleine toegangsopeningen met waterdichte deksels zijn evenwel toegestaan in het vrijboorddek;

c. het trunkdek van voor tot achter een vast, van relingwerk voorzien, begaanbaar platform vormt, dan wel dat dit wordt gevormd door onderbroken trunks die met delen van de bovenbouw door vaste loopbruggen zijn verbonden;

d. luchtkokers door de trunk, door waterdichte deksels of door gelijkwaardige middelen worden beschermd;

e. naast de trunk op de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het vrijboorddek over ten minste de halve lengte daarvan open relingwerk is aangebracht, of anders erin wordt voorzien dat de oppervlakte van de waterloospoorten in het onderste gedeelte van de verschansingen, onverminderd voorschrift 24, lid 2, 33% van de totale oppervlakte van de verschansingen bedraagt;

f. de schachten boven de machineruimten door de trunk, door middel van een bovenbouw van standaardhoogte of door een dekhuis van dezelfde hoogte en van overeenkomstige sterkte zijn beschermd;

g. de breedte van de trunk ten minste 60% is van de breedte van het schip; en

h. wanneer er geen bovenbouw is, de lengte van de trunk ten minste 0,6 L is.

2. De in rekening te brengen lengte van een volledige trunk is gelijk aan de totale lengte verkleind in de verhouding van zijn gemiddelde breedte tot B.

3. De standaardhoogte van een trunk is gelijk aan de standaardhoogte van een bovenbouw geen verhoogd halfdek zijnde.

4. Wanneer de hoogte van een trunk kleiner is dan de standaardhoogte, wordt de in rekening te brengen lengte in verhouding van de werkelijke hoogte tot de standaardhoogte verkleind. Wanneer de hoogte van de luikhoofden op het trunkdek geringer is dan wat krachtens voorschrift 14-1 wordt vereist, moet een vermindering van de werkelijke hoogte van de trunk die overeenkomt met het verschil tussen de werkelijke hoogte en de vereiste hoogte van de hoofden in rekening worden gebracht.

5. Wanneer de trunkhoogte kleiner is dan de standaardhoogte en de luikhoofden van de trunk ook kleiner zijn dan de standaardhoogte, of volledig afwezig zijn, moet de vermindering van de feitelijke hoogte van de trunk vanwege onvoldoende hoogte van het luikhoofd worden genomen als het verschil tussen 600 mm en de feitelijke hoogte van het luikhoofd, of 600 mm indien geen luikhoofden zijn aangebracht. Een vermindering van de feitelijke hoogte van een trunk wordt niet verlangd in gevallen waarin in het trunkdek slechts kleine luiken met een geringere hoogte dan de standaardhoogte zijn aangebracht waarvoor ontheffing van het vereiste van standaardhoogte van het luikhoofd mag worden verleend.

6. Doorlopende luikopeningen mogen bij de berekening van het vrijboord worden behandeld als een trunk, mits in alle opzichten aan de bepalingen van dit lid wordt voldaan.

De in lid 1, b, bedoelde stringerplaat van het trunkdek mag aan de buitenzijde van het schot aan de trunkzijde worden aangebracht, mits aan het volgende wordt voldaan:

a. de aldus aangebrachte stringerplaat moet een vrij looppad van ten minste 450 mm breed aan elke zijde van het schip bieden;

b. de stringerplaat moet zijn uitgevoerd in stevige, voldoende gesteunde en verstijfde beplating;

c. de stringerplaat moet zo hoog als praktisch uitvoerbaar is boven het vrijboorddek worden aangebracht. Bij de berekening van het vrijboord moet de trunkhoogte worden verminderd met ten minste 600 mm of met het feitelijke verschil tussen de bovenzijde van de trunk en de stringerplaat, naargelang van welke afstand groter is;

d. de middelen voor het vastzetten van de luikdeksels moeten vanaf de stringerplaat of het looppad toegankelijk zijn; en

e. de breedte van de trunk moet worden gemeten tussen de zijschotten van de trunk.

7. Wanneer de trunk die tegen de bovenbouw, zoals een kampanje, brug of bak is aangebouwd, bij de berekening van het vrijboord wordt betrokken, mogen geen openingen aanwezig zijn in dat deel van het schot dat de trunk en de bovenbouw gemeenschappelijk hebben. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt voor kleine openingen, zoals voor leidingen, kabels of mangaten met deksels die zijn bevestigd door middel van bouten.

8. De zijden van een trunk die bij de berekening van het vrijboord wordt betrokken, moeten intact zijn. Partijspoorten van het niet-openende type en met bouten vastgezette mangatdeksels kunnen worden toegestaan.

Regeling
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBV0003267
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl