wetzoeker

Voorschrift 34 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

VRIJBOORD

1. Behalve als bepaald in lid 2 is de lengte van de bovenbouw (S) de gemiddelde lengte van het delen van de bovenbouw die binnen de lengte (L) liggen.

Wanneer een bovenbouwschot is voorzien van een nis, moet de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw worden verminderd met een getal gelijk aan de oppervlakte van de nis op tekening gedeeld door de breedte van de bovenbouw halverwege de lengte van de nis. Wanneer de nis ten opzichte van de hartlijn asymmetrisch is, moet het grootste deel worden beschouwd als van toepassing zijnde op beide zijden van het schip. Een nis behoeft niet te worden overdekt.

2. Wanneer het eindschot van een gesloten bovenbouw in een zuiver parabolische ronding uitsteekt vóór de aansnijding van het schot met de zijden van de bovenbouw, kan de lengte van de bovenbouw worden vergroot op basis van een gelijkwaardig vlak schot. Deze vergroting bedraagt twee derde van de pijl van de ronding. De maximumronding waarmee rekening mag worden gehouden bij het vaststellen van deze vergroting is de helft van de breedte van de bovenbouw gemeten ter plaatse van het snijpunt van het gebogen eindschot van de bovenbouw met de zijde daarvan.

Wanneer een bovenbouw uitsteekt, met een breedte van het uitstek aan beide zijden van de hartlijn van ten minste 30% van de breedte van het schip, kan de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw worden vergroot door uit te gaan van een gelijkwaardig bovenbouwschot in de vorm van een parabool. Deze parabool strekt zich uit van het uitstek op de hartlijn en loopt door het snijpunt van het feitelijke bovenbouwschot met de zijden van het uitstek en loopt door tot aan de zijden van het schip. Deze parabool valt volledig binnen de begrenzingen van de bovenbouw en de uitbreidingen ervan.

Indien de bovenbouw van de zijde af naar binnen is geplaatst, tot aan de in voorschrift 3, lid 10, toegestane begrenzing, moet het gelijkwaardige schot worden berekend op basis van de feitelijke breedte van de bovenbouw (en niet de breedte van het schip).

3. Bij bovenbouwen met schuin aflopende schotten is de werkwijze als volgt:

a. Wanneer de hoogte van de bovenbouw, boven het hellende gedeelte, gelijk is aan of kleiner is dan de standaardlengte, dan moet de lengte S worden verkregen zoals in figuur 34.1 wordt getoond.

b. Wanneer de hoogte groter is dan de standaardhoogte, dan moet de lengte S worden verkregen zoals in figuur 34.2 wordt getoond.

c. Het voorgaande is uitsluitend van toepassing wanneer de helling, ten opzichte van de basislijn, 15° of meer bedraagt. Wanneer de helling minder dan 15° bedraagt, moet een en ander als zeeg worden beschouwd.

Regeling
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBV0003267
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl