Voorschrift 27 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
VRIJBOORD
1. Voor de berekening van het vrijboord worden de schepen verdeeld in schepen van het type A en schepen van het type B.
Schepen van het type A
2. Een schip van het type A is een schip dat:
a. uitsluitend is ontworpen voor het vervoer van vloeibare lading in bulk;
b. een zeer grote waterdichtheid van het blootgestelde dek heeft met slechts kleine toegangsopeningen voor de ladingafdelingen, afgesloten door waterdichte stalen deksels voorzien van pakkingen of deksels van een ander gelijkwaardig materiaal; en
c. een geringe permeabiliteit van de met lading gevulde ladingafdelingen heeft.
3. Een schip van het type A van meer dan 150 m lengte, waarvoor een kleiner vrijboord dan voor een schip van het type B is vastgesteld, moet, wanneer het is geladen overeenkomstig de eisen van lid 11, het vollopen van (een) afdeling(en) met een aangenomen permeabiliteit van 0,95 kunnen doorstaan na de aangenomen beschadiging omschreven in lid 12 en blijven drijven in een voldoende geachte eindtoestand zoals omschreven in lid 13. In een dergelijk schip moet de machineruimte worden aangemerkt als een afdeling die kan vollopen, doch met een permeabiliteit van 0,85.
4. Voor een schip van het type A moet een vrijboord worden vastgesteld dat niet kleiner is dan dat gebaseerd op tabel 28.1.
Schepen van het type B
5. Alle schepen die niet voldoen aan de bepalingen betreffende schepen van het type A van de leden 2 en 3 van dit voorschrift worden geacht schepen van het type B te zijn.
6. Voor schepen van het type B die op een plaats van categorie 1 zijn voorzien van luiken die van de Administratie mogen voldoen aan de vereisten van voorschrift 15 (behalve lid 6) of die zijn voorzien van vastzetvoorzieningen die worden aanvaard ingevolge de bepalingen van voorschrift 16, lid 6, moet een vrijboord worden vastgesteld dat is gebaseerd op de in tabel 28.2 vermelde waarden, vermeerderd met de waarden in tabel 27.1:
Tabel 27.1
Vermeerdering van vrijboord ten opzichte van het basisvrijboord voor schepen van het type B waarvan de luiken van de luikopeningen voldoen aan de bepalingen van voorschrift 15 (anders dan lid 6)
Lengte van het schip (m) | Vermeerdering van vrijboord(mm) | Lengte van het schip (m) | Vermeerdering van vrijboord(mm) | Lengte van het schip (m) | Vermeerdering van vrijboord(mm)
onder de 108 | 50 | 139 | 175 | 170 | 290
109 | 52 | 140 | 181 | 171 | 292
110 | 55 | 141 | 186 | 172 | 294
111 | 57 | 142 | 191 | 173 | 297
112 | 59 | 143 | 196 | 174 | 299
113 | 62 | 144 | 201 | 175 | 301
114 | 64 | 145 | 206 | 176 | 304
115 | 68 | 146 | 210 | 177 | 306
116 | 70 | 147 | 215 | 178 | 308
117 | 73 | 148 | 219 | 179 | 311
118 | 76 | 149 | 224 | 180 | 313
119 | 80 | 150 | 228 | 181 | 315
120 | 84 | 151 | 232 | 182 | 318
121 | 87 | 152 | 236 | 183 | 320
122 | 91 | 153 | 240 | 184 | 322
123 | 95 | 154 | 244 | 185 | 325
124 | 99 | 155 | 247 | 186 | 327
125 | 103 | 156 | 251 | 187 | 329
126 | 108 | 157 | 254 | 188 | 332
127 | 112 | 158 | 258 | 189 | 334
128 | 116 | 159 | 261 | 190 | 336
129 | 121 | 160 | 264 | 191 | 339
130 | 126 | 161 | 267 | 192 | 341
131 | 131 | 162 | 270 | 193 | 343
132 | 136 | 163 | 273, | 194 | 346
133 | 142 | 164 | 275 | 195 | 348
134 | 147 | 165 | 278 | 196 | 350
135 | 153 | 166 | 280 | 197 | 353
136 | 159 | 167 | 283 | 198 | 355
137 | 164 | 168 | 285 | 199 | 357
138 | 170 | 169 | 287 | 200 | 358
Voor de tussenliggende lengten wordt het vrijboord verkregen door middel van lineaire interpolatie.
Het vrijboord van schepen van meer dan 200 m lengte wordt door de Administratie vastgesteld.
7. Voor schepen van het type B die op een plaats van categorie 1 luikopeningen hebben, voorzien van luiken die voldoen aan de eisen van voorschrift 16, leden 2 tot en met 5, wordt behalve als bepaald in de leden 8 tot en met 13, een vrijboord vastgesteld gebaseerd op tabel 28.2.
8. Voor alle schepen van het type B die meer dan 100 meter lang zijn kunnen vrijboorden worden vastgesteld die kleiner zijn dan die vereist krachtens lid 7, mits de Administratie er ten aanzien van de toegestane vermindering van vrijboord van overtuigd is dat:
a. de voor de bescherming van de bemanning getroffen maatregelen toereikend zijn;
b. de middelen tot lozing van water toereikend zijn;
c. de deksels op plaatsen van categorie 1 en 2 voldoen aan de bepalingen van voorschrift 16, leden 1 tot en met 5 en lid 7; en
d. het schip wanneer het is geladen overeenkomstig de eisen van lid 11, het vollopen van (een) afdeling(en) met een aangenomen permeabiliteit van 0,95 kan doorstaan na de aangenomen beschadiging omschreven in lid 12 en blijven drijven in een voldoende geachte eindtoestand zoals omschreven in lid 13. In een dergelijk schip, indien meer dan 150 m lang, moet de machineruimte worden aangemerkt als een afdeling die kan vollopen, doch met een permeabiliteit van 0,85.
9. Bij het berekenen van het vrijboord voor schepen van het type B die voldoen aan de eisen van de leden 8, 11, 12 en 13, mogen de waarden van tabel 28.2 met niet meer dan 60% van het verschil tussen de waarden van de tabellen 28.1 en 28.2 voor de desbetreffende scheepslengten worden verminderd.
10.
a. De vermindering in vrijboord toegestaan ingevolge lid 9 kan worden vergroot tot het volle verschil tussen de waarden in tabel 28.1 en die in tabel 28.2 op voorwaarde dat het schip voldoet aan de bepalingen van:
i. voorschrift 26, uitgezonderd lid 5, alsof het een schip van het type A was;
ii. de leden 8, 11, 13; en
iii. lid 12, mits over de gehele lengte van het schip beschadiging van elk dwarsschot zal worden aangenomen, zodat twee willekeurige langsscheeps aan elkaar grenzende afdelingen gelijktijdig vollopen behalve dat dergelijke schade niet zal gelden voor de grensschotten van een machineruimte.
b. In een dergelijk schip, indien meer dan 150 m lang, wordt de machineruimte aangemerkt als een afdeling die kan vollopen, doch met een permeabiliteit van 0,85.
Aanvankelijke beladingstoestand
11. De aanvankelijke beladingstoestand vóór het vollopen wordt als volgt bepaald:
a. Het schip wordt geladen tot de lastlijn bij zomeruitwatering in een denkbeeldige gelijklastige toestand.
b. Bij de berekening van het verticale zwaartepunt zijn de volgende beginselen van toepassing:
i. er wordt één soort lading vervoerd;
ii. in alle ladingafdelingen, behalve die bedoeld in iii, maar met inbegrip van afdelingen bestemd om gedeeltelijk te worden gevuld, worden als volledig geladen beschouwd, met dien verstande dat in het geval van vloeibare ladingen elke afdeling als voor 98% gevuld moet worden aangemerkt
iii. indien het schip is bestemd om bij de lastlijn bij zomeruitwatering te worden geëxploiteerd met lege afdelingen, worden deze afdelingen als leeg beschouwd, mits de hoogte van het aldus berekende zwaartepunt niet minder is dan die zoals berekend volgens ii;
iv. er wordt 50% aangenomen van de totale capaciteit van tanks en ruimten van het schip bestemd voor elke soort brandstoffen en voorraden. Aangenomen wordt dat voor elke soort vloeistof ten minste één paar dwarstanks of een enkele midscheeps geplaatste tank een maximaal vrij vloeistofoppervlak heeft en dat de tank of combinatie van tanks die wordt/worden aangenomen diegenen is/zijn waar de invloed van het vrije vloeistofoppervlak het grootst is; in elke tank wordt het midden van het volume van de tank als het zwaartepunt van de inhoud genomen. De overblijvende tanks worden geacht hetzij geheel leeg hetzij geheel gevuld te zijn en de verdeling van verbruiksvloeistoffen tussen deze tanks geschiedt zodanig dat het zwaartepunt zo hoog mogelijk boven de kiel ligt;
v. Ballastwatertanks worden gewoonlijk geacht leeg te zijn en worden niet gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak;
vi. Alternatieve berekenwijzen van de vrije vloeistofeffecten mogen gebruikt worden voor het bepalen van de stabiliteit in lekke toestand als beschreven in artikel 27(12):
(aa) Methode 1 (van toepassing op denkbeeldige correcties). Het gecorrigeerde zwaartepunt voor de aanvankelijke beladingstoestand wordt als volgt vastgesteld:
i. de beladingstoestand wordt bepaald in overeenstemming met de paragrafen (i) tot en met (iv);
ii. de correctie voor vrije vloeistofoppervlakken wordt opgeteld bij de hoogteligging van het zwaartepunt;
iii. een denkbeeldige aanvankelijke beladingstoestand waarbij alle ruimten leeg zijn wordt gegenereerd op basis van de diepgang op de gelijklastige zomerlastlijn, gebruikmakend van de hoogteligging van het zwaartepunt uit de bovenstaande beladingstoestand; en
iv. de lekgevallen worden getoetst aan de lekstabiliteitcriteria gebruikmakend van de bovenstaande aanvankelijke beladingtoestand.
(bb) Methode 2 (van toepassing op het gebruik van het werkelijke vrije vloeistofoppervlak volgens de aangenomen inhoud van de tank voor het schadegeval). Het gecorrigeerde zwaartepunt voor de aanvankelijke beladingstoestand wordt als volgt bepaald:
i. de beladingstoestand wordt bepaald in overeenstemming met de paragrafen (i) tot en met (iv);
ii. per schadegeval kan een denkbeeldige aanvankelijke toestand worden gegenereerd waarbij alle ruimten gevuld zijn met vloeistof tot de gelijklastige diepgang op de zomerlastlijn, gebruikmakend van de aanvankelijke denkbeeldige toestand met gevulde ruimten gegenereerd tot de diepgang op de zomerlastlijn met niveautrim. Gebruikmakend van de hoogteligging van het zwaartepunt en de correctie voor vrije vloeistofoppervlakken uit de bovenstaande beladingstoestand wordt voor elk schadegeval een afzonderlijke berekening gemaakt, met dien verstande dat alleen de met vloeistof gevulde ruimten die beschadigd worden leeg gelaten worden voor de schade; en
iii. de lekgevallen worden getoetst aan de lekstabiliteitcriteria gebruikmakend van de bovenstaande aanvankelijke beladingtoestand (één aanvankelijke beladingstoestand per schadegeval).
vii. gewichten worden berekend op basis van de volgende waarden voor het soortelijk gewicht:
Zout water | 1,025
Zoet water | 1,000
Stookolie | 0,950
Dieselolie | 0,900
Smeerolie | 0,900
Aangenomen schade
12. De volgende beginselen betreffende de aard van de aangenomen schade zijn van toepassing:
a. De omvang van de verticale schade in alle gevallen wordt aangenomen van de lijn van onderkant spanten naar boven zonder begrenzing.
b. De omvang van de schade dwarsscheeps is gelijk aan B/5 of 11,5 m, welke van beide de geringste is, gemeten binnenboord van de zijde van het schip loodrecht op de hartlijn op het niveau van de lastlijn bij zomeruitwatering.
c. Indien schade van geringere omvang dan aangegeven in a en b leidt tot een ernstiger toestand, wordt deze geringere omvang aangenomen.
d. Behalve wanneer anderszins vereist in lid 10, a, wordt het vollopen beperkt tot een enkele afdeling tussen aangrenzende dwarsschotten, mits de inwendige langsscheepse grens van de afdeling niet ligt binnen de omvang van de aangenomen schade dwarsscheeps. Dwarsschotten die de begrenzing vormen van zijtanks en die zich niet uitstrekken over de volle breedte van het schip worden geacht niet te zijn beschadigd, mits zij zich verder uitstrekken dan de omvang van de aangenomen schade dwarsscheeps voorgeschreven in b.
Indien er in een dwarsschot nissen of trapsgewijze verspringingen zijn met een lengte van niet meer dan 3 m gelegen binnen de omvang van de aangenomen dwarsschade zoals omschreven in b, kan een dergelijk dwarsschot als onbeschadigd worden beschouwd en kan de aangrenzende afdeling afzonderlijk vollopen. Indien er binnen de omvang van de aangenomen schade dwarsscheeps evenwel een trapsgewijze verspringing of nis met een lengte van meer dan 3 m in een dwarsschot is, worden de twee aan dit schot grenzende afdelingen als volgelopen beschouwd. De nis gevormd door het achterpiekschot en de bovenzijde van de achterpiektank wordt voor de toepassing van dit voorschrift niet als een trapsgewijze verspringing beschouwd.
e. Wanneer een hoofddwarsschot gelegen is binnen de omvang van de aangenomen schade dwarsscheeps en door een dubbele bodem of zijtank met meer dan 3 m verspringt, worden de dubbele bodem of zijtanks grenzend aan het trapsgewijze versprongen gedeelte van het hoofddwarsschot als tegelijkertijd volgelopen beschouwd. Indien deze zijtanks openingen hebben naar een of meer ruimen, zoals openingen voor graanfeeders, wordt/worden dit ruim of deze ruimen als tegelijkertijd volgelopen beschouwd. Evenzo worden in een schip ontworpen voor het vervoer van vloeibare ladingen, indien een zijtank openingen heeft naar aangrenzende afdelingen, deze aangrenzende afdelingen als leeg en als tegelijkertijd volgelopen beschouwd. Deze bepaling geldt zelfs wanneer deze openingen zijn voorzien van afsluitmiddelen, behalve in het geval van schuifafsluiters aangebracht in schotten tussen tanks en wanneer deze vanaf het dek worden bediend. Mangatdeksels bevestigd met op korte afstand van elkaar aangebrachte bouten worden als gelijkwaardig met het niet doorboorde schot beschouwd, behalve in het geval van openingen in boventanks, door welke openingen de boventanks gelijk worden aan ruimen.
f. Wanneer het vollopen van twee willekeurig langsscheeps aan elkaar grenzende afdelingen wordt voorzien, moeten de waterdichte hoofddwarsschotten op een onderlinge afstand van ten minste 1/3 L2/3 of 14,5 m, welke van beide de kleinste afstand is, worden geplaatst om als doeltreffend te kunnen worden beschouwd. Wanneer dwarsschotten op een kleinere onderlinge afstand zijn geplaatst, wordt aangenomen dat een of meer van deze schotten niet bestaan teneinde de minimum onderlinge afstand tussen schotten te bereiken.
Evenwichtstoestand
13. De evenwichtstoestand na het vollopen wordt als bevredigend beschouwd, op voorwaarde dat:
a. De bereikte waterlijn na het vollopen, met inachtneming van inzinking, slagzij en trim onder de onderste rand ligt van openingen waardoor geleidelijk binnenstromen kan plaatsvinden. Deze openingen omvatten luchtpijpen, luchtkokers (zelfs als deze voldoen aan voorschrift 19, lid 4, en openingen gesloten door middel van wind- en weerdichte deuren (zelfs als deze voldoen aan voorschrift 12) of luiken (zelfs als deze voldoen aan voorschrift 16, leden 1 tot en met 5), doch niet de openingen gesloten door middel van deksels voor mangaten en verzonken stortgatranden (die voldoen aan voorschrift 18), luiken voor laadopeningen van het type beschreven in voorschrift 27, lid 2, op afstand bediende waterdichte schuifdeuren, scharnierende waterdichte toegangsdeuren met open/dichtaanduidingen, lokaal en op de brug, van het snelsluitende of enkelwerkende type dat normaalgesproken op zee gesloten blijft, scharnierende waterdichte deuren die op zee permanent gesloten blijven en patrijspoorten die niet geopend kunnen worden (die voldoen aan voorschrift 23). In het geval van deuren die een hoofdmachineruimte scheiden van een stuurmachineruimte, mogen de waterdichte deuren van een scharnierend, snelsluitend type zijn, dat op zee gesloten blijft wanneer niet in gebruik, mits ook de drempel van deze deuren boven de lastlijn bij zomeruitwatering ligt.
b. Indien pijpleidingen, kokers of tunnels gelegen zijn binnen de dwarsscheepse omvang van de aangenomen schade zoals omschreven in lid 12, b, voorzieningen moeten worden getroffen zodat het geleidelijk vollopen zich daardoor niet kan uitstrekken tot andere afdelingen dan die waarvan bij de berekening voor elk geval van schade wordt aangenomen dat zij vollopen.
c. De hellingshoek wegens onsymmetrisch vollopen niet groter is dan 15°. Indien er geen deel van het dek ondergedompeld is, kan een hellingshoek van ten hoogste 17° worden aanvaard.
d. De metacentrische hoogte in volgelopen toestand positief is.
e. Wanneer enig deel van het dek buiten de als volgelopen beschouwde afdeling in een bepaald geval van schade ondergedompeld is, of in een geval waarin de marge van de stabiliteit in volgelopen toestand als twijfelachtig kan worden beschouwd, moet de stabiliteit in de eindtoestand worden onderzocht. Deze kan als voldoende worden beschouwd indien de kromme van armen van statische stabiliteit een minimumbereik heeft van 20° voorbij de evenwichtstoestand met een maximale arm van stabiliteit van ten minste 0,1 m binnen dit bereik. De oppervlakte onder de kromme van armen van statische stabiliteit binnen dit bereik mag niet minder zijn dan 0,0175 m.rad. De Administratie moet aandacht schenken aan het potentiële gevaar van beschermde of onbeschermde openingen die tijdelijk onder water kunnen komen binnen de marge van de resterende stabiliteit in de eindtoestand.
f. De Administratie ervan overtuigd is dat de stabiliteit tijdens de tussenliggende stadia van vollopen voldoende is.
g. Naleving van de criteria voor de resterende stabiliteit in de eindtoestand omschreven in de bovenstaande paragrafen (a), (c), (d) en (e) behoeft niet te worden aangetoond in operationele beladingtoestanden die met behulp van een stabiliteitsinstrument, stabiliteitssoftware of een andere goedgekeurde methode worden berekend.
Schepen zonder voortstuwingsmiddelen
14. Voor een lichter, sleepschip of ander schip zonder eigen voortstuwingsmiddelen wordt een vrijboord vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze voorschriften. Voor sleepschepen die voldoen aan het vereiste van de leden 2 en 3 kunnen vrijboorden van het type A worden vastgesteld.
a. De Administratie moet in het bijzonder de stabiliteit bezien van sleepschepen met lading op het aan weer en wind blootgestelde dek. Deklading mag alleen worden vervoerd op schepen waarvoor het gewone type B vrijboord is vastgesteld.
b. Op sleepschepen die niet bemand zijn, zijn evenwel de eisen van de voorschriften 25, 26, leden 3 en 4, en 39 niet van toepassing.
c. Voor deze onbemande sleepschepen, die op het vrijboorddek slechts kleine toegangsopeningen hebben, die gesloten zijn door waterdichte van pakking voorziene deksels van staal of van een gelijkwaardig materiaal, kan een vrijboord worden vastgesteld dat 25 procent kleiner is dan dat berekend overeenkomstig deze voorschriften.
- Regeling
- Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2024
- BWB-id
- BWBV0003267
- Versie
- 2024-01-01_0