wetzoeker

Voorschrift 19-1 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

VEILIGHEID VAN DE NAVIGATIE

1 Niets in dit voorschrift of de bepalingen van prestatienormen en functionele vereisten aangenomen door de Organisatie met betrekking tot de langeafstandsidentificatie en -tracking van schepen doet afbreuk aan de rechten, rechtsbevoegdheid of verplichtingen van Staten ingevolge het internationaal recht, met name de rechtsregimes op volle zee, in de exclusieve economische zone, de aangrenzende zone, de territoriale zeeën of de straten die voor de internationale vaart worden gebruikt alsmede zeeroutes bij eilanden.

2.1 Onverminderd de bepalingen van de paragrafen 4.1 en 4.2 is dit voorschrift van toepassing op de volgende typen schepen die internationale reizen maken:

.1 passagiersschepen met inbegrip van hogesnelheidsvaartuigen voor personenvervoer

.2 vrachtschepen, met inbegrip van hogesnelheidsvaartuigen met een brutotonnage van 300 of meer; en

.3 mobiele buitengaatse booreenheden.

2.2 De term „schip” in de voorschriften 3 tot en met 11.2 omvat de passagiersschepen, vrachtschepen, hogesnelheidsvaartuigen en mobiele buitengaatse booreenheden waarop de bepalingen van dit voorschrift van toepassing zijn.

3 Dit voorschrift stelt bepalingen vast die het de Verdragsluitende Regeringen mogelijk maken over te gaan tot langeafstandsidentificatie en -tracking van schepen.

4.1 Schepen moeten als volgt worden uitgerust met een systeem voor de automatische verzending van de in paragraaf 5 vermelde gegevens:

.1 schepen gebouwd op of na 31 december 2008;

.2 schepen gebouwd vóór 31 december 2008 en gecertificeerd voor:

.1 de zeegebieden A1 en A2, als omschreven in de voorschriften IV/2.1.15 en IV/2.1.16; of

.2 de zeegebieden A1, A2 en A3, als omschreven in de voorschriften IV/2.1.15, IV/2.1.16 en IV/2.1.17,

uiterlijk bij de eerste inspectie van de radioinstallatie na 31 december 2008;

.3 schepen gebouwd vóór 31 december 2008 en die gecertificeerd zijn voor de zeegebieden A1, A2, A3 en A4, als omschreven in de voorschriften IV/2.1.15, IV/2.1.16, IV/2.1.17 en IV/2.1.18, uiterlijk bij de eerste inspectie van de radioinstallatie na 1 juli 2009. Wanneer deze schepen actief zijn binnen de zeegebieden A1, A2 en A3 moeten zij echter voldoen aan de bepalingen van bovenstaande subparagraaf .2.

4.2 Schepen, ongeacht de datum waarop zij zijn gebouwd, uitgerust met een automatisch identificatiesysteem (AIS) als omschreven in voorschrift 19.2.4 en die uitsluitend worden ingezet binnen zeegebied A1 als omschreven in voorschrift IV/2.1.15, zijn niet verplicht aan de bepalingen van dit voorschrift te voldoen.

5 Onverminderd de bepalingen van paragraaf 4.1 moeten schepen automatisch de volgende gegevens ten behoeve van langeafstandsidentificatie en -tracking verzenden:

.1 de identiteit van het schip;

.2 de positie van het schip (breedte- en lengtegraad); en

.3 de datum en het tijdstip van deze positie.

6 Systemen en apparatuur gebruikt om te voldoen aan de vereisten van dit voorschrift moeten aan prestatienormen en functionele vereisten voldoen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke door de Organisatie zijn aangenomen. Alle apparatuur aan boord moet van een door de Administratie goedgekeurd type zijn.

7 De systemen en apparatuur die worden gebruikt om aan de vereisten van dit voorschrift te voldoen, moeten aan boord kunnen worden uitgeschakeld of de verspreiding van langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens kunnen staken:

.1 wanneer internationale overeenkomsten, regels of normen voorzien in de beveiliging van navigatiegegevens; of

.2 onder uitzonderlijke omstandigheden en gedurende een zo kort mogelijk tijdsbestek wanneer deze handeling naar het oordeel van de kapitein de veiligheid of beveiliging van het schip in gevaar brengt. In een dergelijk geval brengt de kapitein de Administratie zonder onnodige vertraging op de hoogte en maakt hij een aantekening in het journaal van navigatieactiviteiten en incidenten dat in overeenstemming met voorschrift 28 wordt bijgehouden, met vermelding van de redenen voor het besluit, alsmede van het tijdvak gedurende welk het systeem of de apparatuur werd uitgeschakeld.

8.1 Onverminderd de bepalingen van de paragrafen 8.2 tot en met 11.2 moeten de Verdragsluitende Regeringen voor beveiligingsdoeleinden en andere door de Organisatie overeengekomen doeleinden als volgt langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens over schepen kunnen ontvangen:

.1 De Administratie is bevoegd dergelijke informatie te ontvangen over schepen die bevoegd zijn haar vlag te voeren, ongeacht waar deze schepen zich bevinden;

.2 een Verdragsluitende Regering is bevoegd dergelijke gegevens te ontvangen over schepen die hebben aangegeven voornemens te zijn een havenfaciliteit binnen te gaan, als omschreven in voorschrift XI-2/1.1.9, of een plaats onder de rechtsmacht van die Verdragsluitende Regering, ongeacht waar deze schepen zich bevinden, mits zij zich niet bevinden binnen de wateren landinwaarts van de in overeenstemming met het internationaal recht vastgestelde basislijnen van een andere Verdragsluitende Regering; en

.3 een Verdragsluitende Regering is bevoegd dergelijke gegevens te ontvangen over schepen die bevoegd zijn de vlag van een andere Verdragsluitende Regering te voeren, die niet voornemens zijn een havenfaciliteit of een plaats onder de rechtsmacht van die Verdragsluitende Regering binnen te gaan en binnen een afstand van ten hoogste 1000 zeemijlen uit haar kust varen, mits dergelijke schepen zich niet bevinden binnen de wateren landinwaarts van de in overeenstemming met het internationaal recht vastgestelde basislijnen van een andere Verdragsluitende Regering; en

.4 een Verdragsluitende Regering is, ingevolge subparagraaf .3, niet bevoegd dergelijke gegevens te ontvangen over een schip dat zich bevindt binnen de territoriale zee van de Verdragsluitende Regering waarvan het bevoegd is de vlag te voeren.

8.2 Teneinde de langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens ingevolge de bepalingen van paragraaf 8.1 beschikbaar te maken, moeten de Verdragsluitende Regeringen de relevante gegevens vermelden en aan de Organisatie mededelen, met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen prestatienormen en functionele vereisten . De betrokken Verdragsluitende Regering kan deze mededeling op elk tijdstip daarna wijzigen of intrekken. Zodra de Organisatie deze mededeling heeft ontvangen, brengt zij alle Verdragsluitende Regeringen hiervan op de hoogte, met de bijzonderheden ervan.

9.1 Onverminderd de bepalingen van paragraaf 8.1.3 is de Administratie bevoegd, uit oogpunt van veiligheid of om andere redenen, te allen tijde te besluiten dat aan de Verdragsluitende Regeringen geen langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens worden verstrekt ingevolge de bepalingen van paragraaf 8.1.3. over schepen die bevoegd zijn haar vlag te voeren. De betrokken Administratie kan deze besluiten vervolgens op enig later tijdstip wijzigen, opschorten of intrekken.

9.2 De betreffende Administratie deelt dergelijke besluiten, ingevolge voorschrift 9.1, mede aan de Organisatie. Zodra de Organisatie deze mededeling heeft ontvangen, brengt zij alle Verdragsluitende Regeringen hiervan op de hoogte, met de bijzonderheden ervan.

9.3 Aan de rechten, plichten en verplichtingen ingevolge het internationaal recht, van de schepen waarvan de Administratie de bepalingen van voorschrift 9.1 heeft ingeroepen, mag naar aanleiding van deze besluiten geen afbreuk worden gedaan.

10 De Verdragsluitende Regeringen zijn te allen tijde gehouden:

.1 het belang van langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens te erkennen;

.2 de handelsvertrouwelijkheid en gevoeligheid van de door hen ontvangen langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens te erkennen en te eerbiedigen;

.3 de door hen ontvangen gegevens te beschermen tegen onbevoegde toegang of bekendmaking; en

.4 de door hen ontvangen gegevens te gebruiken op een wijze die verenigbaar is met het internationaal recht.

11.1 De Verdragsluitende Regeringen dragen alle kosten die verband houden met de langeafstandsidentificatie- en trackinggegevens waarom zij verzoeken en die zij ontvangen. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 11.2 leggen de Verdragsluitende Regeringen schepen geen heffingen op voor de langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens die zij wensen te ontvangen.

11.2 Tenzij de nationale wetgeving van de Administratie anderszins bepaalt, worden schepen die bevoegd zijn haar vlag te voeren geen heffingen opgelegd voor de verzending van langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens ter naleving van de bepalingen van dit voorschrift.

12 Onverminderd de bepalingen van paragraaf 8.1 zijn de opsporings- en reddingsdiensten van Verdragsluitende Regeringen bevoegd, kosteloos, langeafstandsidentificatie- en- trackinggegevens te ontvangen ten behoeve van het opsporen en redden van in nood verkerende personen op zee.

13 De Verdragsluitende Regeringen kunnen aan de Organisatie verslag uitbrengen van de gevallen waarin zij van oordeel zijn dat de bepalingen van dit voorschrift of andere door de Organisatie opgestelde, hieraan gerelateerde vereisten niet in acht zijn of worden genomen of zijn of worden nageleefd.

14 De Maritieme Veiligheidscommissie stelt de criteria, procedures en regelingen vast voor de instelling, herziening en controle van de verstrekking van langeafstandsidentificatie- en -trackinggegevens aan de Verdragsluitende Regeringen ingevolge de bepalingen van dit voorschrift.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl