Voorschrift 16 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
PASSAGIERSSCHEPEN EN VRACHTSCHEPEN
1 Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, moeten tewaterlatingsmiddelen en inschepingsvoorzieningen die voldoen aan de vereisten van deel 6.1 van de Code beschikbaar zijn voor alle reddingsboten en -vlotten behalve voor:
.1 reddingsboten en -vlotten waarin wordt ingescheept vanaf een plaats aan dek op minder dan 4,5 m boven de waterlijn in ballasttoestand en die een gewicht hebben van niet meer dan 185 kg; of
.2 reddingsboten en -vlotten waarin wordt ingescheept vanaf een plaats aan dek op minder dan 4,5 m boven de waterlijn in ballasttoestand en die geplaatst zijn voor het rechtstreeks te water laten vanaf de opstellingsplaats onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10° en met een slagzij tot 20° naar iedere kant; of
.3 reddingsboten en -vlotten die aan boord zijn boven de reddingsboten en -vlotten ten behoeve van 200% van het aantal opvarenden en die een gewicht hebben van niet meer dan 185 kg.; of
.4 reddingsboten en -vlotten die aan boord zijn boven de reddingsboten en -vlotten ten behoeve van 200% van het aantal opvarenden en die geplaatst zijn voor het rechtstreeks te water laten vanaf de opstellingsplaats onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10° en met een slagzij van niet meer dan 20° naar iedere kant, of
.5 reddingsboten en -vlotten die aan boord zijn voor gebruik in combinatie met een marien evacuatiesysteem dat voldoet aan de vereisten van sectie 6.2 van de Code en is geplaatst voor het rechtstreeks te water laten vanaf de opstellingsplaats onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10° en met een slagzij tot 20° naar iedere kant.
2 Elke reddingsboot moet zijn voorzien van een middel dat de reddingsboot te water kan laten en weer terug kan zetten. Bovendien moet er een voorziening zijn om de reddingsboot vrij te laten hangen om het ontkoppelingssysteem vrij te maken voor onderhoud.
3 De middelen voor het te water laten en terugzetten moeten zo zijn uitgevoerd dat de bediener daarvan in staat is te allen tijde de reddingsboot of het reddingsvlot bij het te water laten en voor de reddingsboten tevens bij het terugzetten, van boord af gade te slaan.
4 Voor gelijksoortige reddingsboten en -vlotten aan boord van een schip mag uitsluitend één type ontkoppelingsmechanisme worden gebruikt.
5 Het gereedmaken en bedienen van een reddingsboot of -vlot op een tewaterlatingsplaats mag het gereedmaken en bedienen van andere reddingsboten en -vlotten of hulpverleningsboten op andere tewaterlatingsplaatsen niet belemmeren;
6 Lopers, waar toegepast, moeten lang genoeg zijn om met de reddingsboten en -vlotten het water te kunnen bereiken vanaf het schip in ballasttoestand onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10° en een slagzij van niet meer dan 20° naar iedere kant.
7 Gedurende het klaarmaken en te water laten moeten de reddingsboot of het reddingsvlot, het daarbij behorende tewaterlatingsmiddel en de omgeving van het wateroppervlak waarin deze respectievelijk dit zal worden afgevierd voldoende verlicht worden met licht dat geleverd wordt door de elektrische noodkrachtbron vereist in Voorschrift II-1/42 of II-1/43, naar gelang van toepassing.
8 Er moeten middelen beschikbaar zijn om te voorkomen dat waterlozing op de reddingsboten en -vlotten plaatsvindt gedurende ‘schip verlaten’.
9 Wanneer het gevaar bestaat dat de reddingsboten en -vlotten beschadigd zullen worden door de vleugels van de scheepsstabilisatoren, moeten er middelen beschikbaar zijn, gevoed door een noodkrachtbron, om die vleugels binnenboord te brengen; op de brug moet een aanwijzer bekrachtigd door een noodkrachtbron beschikbaar zijn om de stand van de stabilisatorvleugels aan te geven.
10 Indien gedeeltelijk overdekte reddingsboten die voldoen aan de vereisten van hoofdstuk 4.5 van de Code aan boord zijn, dan dient een middenleider tussen de davitkoppen te zijn aangebracht voorzien van niet minder dan twee reddingslijnen die lang genoeg zijn om tot op het water te reiken met het schip in ballasttoestand onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10° en met een slagzij tot 20° naar iedere kant.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0