wetzoeker

Voorschrift 13 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

PASSAGIERSSCHEPEN EN VRACHTSCHEPEN

1 Iedere reddingsboot respectievelijk ieder reddingsvlot moet worden geplaatst:

.1 zodanig dat noch de reddingsboot respectievelijk het reddingsvlot noch de plaatsingsvoorzieningen de werking van enige andere reddingsboot of enig ander reddingsvlot of hulpverleningsboot op een andere tewaterlatingsplaats belemmeren;

.2 zo laag mogelijk boven het wateroppervlak als veilig en uitvoerbaar is en in het geval van een reddingsboot of -vlot, anders dan een werpreddingsvlot, op een zodanige plaats dat de reddingsboot of het reddingsvlot op een inschepingsplaats komt van niet minder dan 2 m boven de waterlijn van het schip in geladen toestand, onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10° en een slagzij tot 20° naar iedere kant of tot die hoek waarbij de rand van het bovenste doorlopende dek onder water raakt, welk van beide het kleinste is;

.3 zodat de reddingsboot of het reddingsvlot voortdurend bedrijfsklaar is zodat twee bemanningsleden het vaartuig binnen 5 minuten voor inschepen en te water laten kunnen klaarmaken.

.4 zodat het vaartuig volledig uitgerust is als voorgeschreven in dit hoofdstuk en de Code; en

.5 voor zover uitvoerbaar, in een voor schade door brand en explosie veilige en beschermde plaats. In het bijzonder reddingsboten en -vlotten op tankschepen, anders dan de reddingsvlotten vereist in voorschrift 31.1.4, mogen niet geplaatst zijn op of boven een ladingtank, sloptank of andere tank die ontplofbare of gevaarlijke lading bevat.

2 Reddingsboten die langs de scheepszijde moeten worden gevierd, moeten zo ver mogelijk voor de schroef worden geplaatst. Op vrachtschepen van 80 m lengte en meer doch minder dan 120 m lengte moet iedere reddingsboot zo worden geplaatst, dat de achterkant van de reddingsboot ten minste de reddingsbootlengte voor de schroef heeft. Op vrachtschepen van 120 m lengte en meer en op passagiersschepen van 80 m lengte en meer moet iedere reddingsboot zo worden geplaatst, dat de achterkant van de reddingsboot niet minder dan anderhalf maal de reddingsbootlengte voor de schroef heeft. Waar toepasselijk moet het op het schip zo worden ingedeeld dat de reddingsboten op hun opstellingsplaatsen beschermd zijn tegen schade door overkomend water.

3 Reddingsboten moeten zijn opgesteld verbonden met de tewaterlatingsmiddelen.

4.1 Elk reddingsvlot moet zijn geplaatst met zijn vanglijn permanent bevestigd aan het schip.

4.2 Elk reddingsvlot of elke groep reddingsvlotten moet zijn geplaatst met een voorziening voor vrij opdrijven die voldoet aan de vereisten van paragraaf 4.1.6 van de Code en wel zo dat wanneer het schip zinkt het reddingsvlot vrij opdrijft en, indien opblaasbaar, automatisch wordt opgeblazen.

4.3 Reddingsvlotten moeten zodanig worden geplaatst dat het mogelijk is met de hand één vlot of verpakking tegelijk van zijn sjorringen te ontdoen.

4.4 De paragrafen 4.1 en 4.2 zijn niet van toepassing op de reddingsvlotten vereist in voorschrift 31.1.4.

5 Strijkbare reddingsvlotten moeten binnen bereik van hijshaken worden geplaatst, tenzij er overbrengingsmiddelen zijn aangebracht die niet buiten werking raken binnen de gestelde normen van kop- of stuurlast en slagzij zoals omschreven in paragraaf 1.2 of door de scheepsbeweging of door het uitvallen van de elektriciteit.

6 Werpreddingsvlotten moeten klaar voor overbrenging voor het te water laten aan iedere zijde van het schip worden opgesteld, tenzij de reddingsvlotten met de gezamenlijke capaciteit die in voorschrift 31.1 is voorgeschreven, om aan beide zijden te water gelaten te kunnen worden, aan beide zijden van het schip geplaatst zijn.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl