wetzoeker

Voorschrift 11 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

PASSAGIERSSCHEPEN EN VRACHTSCHEPEN

1 Reddingsboten en reddingsvlotten waarvoor goedgekeurde tewaterlatingsmiddelen zijn voorgeschreven, moeten zo dicht mogelijk bij de ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn geplaatst.

2 De verzamelplaatsen moeten dicht bij de inschepingsplaatsen zijn. Elke verzamelplaats moet voldoende ruimte aan dek hebben om alle daarvoor aangewezen personen te kunnen bevatten, maar ten minste 0,35 m2 per persoon.

3 Verzamel- en inschepingsplaatsen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de ruimten voor accommodatie en werkruimten.

4 Verzamel- en inschepingsplaatsen moeten voldoende verlicht worden; deze verlichting moet worden geleverd door de elektrische noodkrachtbron vereist in voorschrift II-1/42 of II-1/43, naar gelang van toepassing.

5 Gangen, trappen en uitgangen die toegang geven tot de verzamel- en inschepingsplaatsen moeten zijn verlicht. Deze verlichting moet kunnen worden geleverd door de elektrische noodkrachtbron vereist in voorschrift II-1/42 of II-1/43, naar gelang van toepassing. Ter aanvulling op en als onderdeel van de markeringen vereist in voorschrift II-2/28.1.10, moeten routes naar de verzamelplaatsen worden gemarkeerd met verzamelplaatssymbolen bedoeld voor dat doel, overeenkomstig de aanbevelingen van de Organisatie.

6 Verzamel- en inschepingsplaatsen voor strijkbare reddingsboten en -vlotten en voor reddingsboten en -vlotten die door middel van vrije val te water worden gelaten moeten zo zijn ingericht dat het mogelijk is een gewonde op een draagbaar in de reddingsboot of op het reddingsvlot te plaatsen.

7 Op iedere inschepingsplaats of op ieder paar naast elkaar gelegen inschepingsplaatsen moet een inschepingsladder zijn die voldoet aan de vereisten van paragraaf 6.1.6 van de Code, bestaande uit één lengte die onder alle omstandigheden van kop- of stuurlast van maximaal 10°° en met een slagzij van maximaal 20°° naar iedere zijde, vanaf het dek bij de geringste diepgang reikt naar reddingsboten en -vlotten die aan de zijde van het schip te water zijn gelaten. De Administratie kan echter toestaan dat dergelijke ladders worden vervangen door goedgekeurde middelen om toegang te verschaffen tot de reddingsboten en -vlotten wanneer deze in het water liggen, op voorwaarde dat er tenminste één inschepingsladder aan iedere kant van het schip is. Voor de reddingsvlotten vereist in voorschrift 31.1.4 kunnen andere middelen voor ordelijke inscheping worden toegestaan.

8 Waar nodig moeten middelen aanwezig zijn om de strijkbare reddingsboten en -vlotten tegen scheepsboord te brengen en daar te houden opdat personen veilig kunnen inschepen.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl