Voorschrift 26 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
PASSAGIERSSCHEPEN (AANVULLENDE VEREISTEN)
1 Dit voorschrift is van toepassing op alle ro-ro passagiersschepen. Ro-ro passagiersschepen gebouwd:
.1 op of na 1 juli 1998, moeten voldoen aan de vereisten van de paragrafen 2.3, 2.4, 3.1, 3.2, 3.3, 4 en 5;
.2 op of na 1 juli 1986 en vóór 1 juli 1998 moeten uiterlijk op de datum van het eerste periodieke onderzoek na 1 juli 1998 voldoen aan de vereisten van paragraaf 5 en uiterlijk op de datum van het eerste periodieke onderzoek na 1 juli 2000 aan de vereisten van de paragrafen 2.3, 2.4, 3 en 4; en.
.3 vóór 1 juli 1986 moeten uiterlijk op de datum van het eerste periodieke onderzoek na 1 juli 1998 voldoen aan de vereisten van paragraaf 5 en uiterlijk op de datum van het eerste periodieke onderzoek na 1 juli 2000 aan de vereisten van de paragrafen 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 3 en 4.
.4 vóór 1 juli 2004 moeten uiterlijk bij de eerste inspectie op of na die datum voldoen aan de vereisten van paragraaf 2.5.
2 Reddingsvlotten
2.1 De reddingsvlotten op ro-ro passagiersschepen moeten worden bediend door middel van mariene evacuatiesystemen die voldoen aan de vereisten van sectie 6.2 van de Code of door tewaterlatingsmiddelen die voldoen aan de vereisten van paragraaf 6.1.5 van de Code, en die gelijkmatig aan elke zijde van het schip zijn verdeeld.
2.2 Alle reddingsvlotten op ro-ro passagiersschepen moeten zijn voorzien van voorzieningen voor vrij opdrijven die voldoen aan de vereisten van voorschrift 13.4.
2.3 Alle reddingsvlotten op ro-ro passagiersschepen moeten zijn voorzien van een verstijfde inklimsteun die voldoet aan de vereisten van paragraaf 4.2.4.1 of 4.3.4.1 van de Code, naar gelang van toepassing.
2.4 Alle reddingsvlotten op ro-ro passagiersschepen moeten van het automatisch zelfoprichtende type of het overkapt omkeerbare type zijn en stabiel zijn in zeegang en volkomen veilig kunnen worden gebruikt, ongeacht de zijde waarop zij drijven. Een andere mogelijkheid is dat het schip, naast het normale aantal reddingsvlotten, automatisch zelfrichtende of omkeerbare overdekte reddingsvlotten aan boord heeft, waarvan de totale capaciteit voldoende is om plaats te bieden aan 50% van de personen voor wie geen plaats is in de reddingsboten. Deze aanvullende reddingsvlotcapaciteit moet worden vastgesteld op basis van het verschil tussen het totale aantal opvarenden en het aantal personen dat in reddingsboten kan worden ondergebracht. Alle betrokken reddingsvlotten moeten door de Administratie zijn goedgekeurd, met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen aanbevelingen.
2.5 Reddingsvlotten aan boord van ro-ro passagiersschepen moeten zijn voorzien van een uitrusting voor opsporing en redding in de verhouding van één uitrusting voor opsporing en redding voor elke vier reddingsvlotten. De uitrusting voor opsporing en redding moet aan de binnenzijde van het reddingsvlot worden gemonteerd zodat de antenne meer dan een meter boven zeeniveau uitsteekt wanneer het reddingsvlot is opgeblazen, met dien verstande dat de uitrusting voor opsporing en redding bij overdekte omkeerbare reddingsvlotten zodanig moet worden geconfigureerd dat deze eenvoudig toegankelijk is en door overlevenden kan worden opgericht. Elke uitrusting voor opsporing en redding wordt zodanig opgesteld dat deze met de hand kan worden opgericht wanneer het reddingvlot is opgeblazen. Containers met reddingsvlotten die met uitrustingen voor opsporing en redding zijn uitgerust, moeten duidelijk worden gemarkeerd.
3 Snelle hulpverleningsboten
3.1 Ten minste één van de hulpverleningsboten op ro-ro passagiersschepen moet een aan sectie 5.1.4 van de Code beantwoordende snelle hulpverleningsboot zijn.
3.2 Elke snelle hulpverleningsboot moet worden bediend door middel van door de Administratie goedgekeurde tewaterlatingsmiddelen. Bij de goedkeuring van deze middelen moet de Administratie er rekening mee houden dat de snelle hulpverleningsboot onder zeer slechte weersomstandigheden te water moet kunnen worden gelaten en kunnen worden teruggehaald; ook moet de Administratie hierbij rekening houden met de door de Organisatie aangenomen aanbevelingen die aan sectie 6.1.7 van de Code voldoen.
3.3 Ten minste twee bemanningsleden van elke snelle hulpverleningsboot moeten zijn opgeleid en regelmatig oefenen, rekening houdend met de Code inzake de opleiding, diplomering en wachtdienst van zeevarenden (STCW-Code) en de door de Organisatie aangenomen aanbevelingen, met inbegrip van alle aspecten van redding, bediening, manoeuvreren en besturing van deze vaartuigen in uiteenlopende omstandigheden, alsmede van het oprichten hiervan na kapseizen.
3.4 Ingeval de inrichting of omvang van een ro-ro passagiersschip gebouwd vóór 1 juli 1997 zodanig is dat het onmogelijk is de in paragraaf 3.1 vereiste snelle hulpverleningsboot te installeren, kan de snelle hulpverleningsboot worden geïnstalleerd op de plaats van een bestaande reddingsboot die wordt toegelaten als hulpverleningsboot of, in geval van schepen gebouwd vóór 1 juli 1986, boten gebruikt voor noodgevallen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
.1 de geïnstalleerde snelle hulpverleningsboot wordt bediend door een tewaterlatingsmiddel dat in overeenstemming is met de bepalingen van paragraaf 3.2;
.2 de capaciteit die door de bovengenoemde vervanging van de reddingsboten en -vlotten verloren gaat, wordt gecompenseerd door de installatie van reddingsvlotten waarmee ten minste een gelijk aantal personen kan worden vervoerd als dat welk de vervangen reddingsboot had kunnen dragen; en
.3 deze reddingsvlotten worden bediend door middel van de bestaande tewaterlatingsmiddelen of mariene evacuatiesystemen.
4 Reddingsmiddelen
4.1 Elk ro-ro passagiersschip moet zijn uitgerust met doeltreffende middelen voor het snel terughalen van overlevenden uit het water en voor het overbrengen van overlevenden van hulpverleningsunits of reddingsboten en -vlotten naar het schip.
4.2 De middelen voor het overbrengen van overlevenden naar het schip mogen deel uitmaken van een marien evacuatiesysteem, of deel uitmaken van een systeem ontworpen voor reddingsdoeleinden.
4.3 Ingeval de glijbaan van een marien evacuatiesysteem is bedoeld als middel om overlevenden over te brengen naar het schipdek, moet de glijbaan zijn voorzien van handlijnen of ladders om beklimming van de glijbaan te vergemakkelijken,
5 Reddingsgordels
5.1 Onverminderd de vereisten van voorschriften 7.2 en 22.2, moet een voldoende aantal reddingsgordels zijn opgeborgen in de nabijheid van de verzamelplaatsen zodat passagiers niet naar hun hut terug hoeven te gaan om hun reddingsgordel op te halen.
5.2 Op ro-ro passagiersschepen moet iedere reddingsgordel zijn voorzien van een licht, dat voldoet aan de vereisten van paragraaf 2.2.3 van de Code.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0