wetzoeker

Voorschrift 19 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

BIJZONDERE VEREISTEN

1 Doel

Het doel van dit voorschrift is aanvullende veiligheidsmaatregelen te bieden ter ondersteuning van de brandveiligheidsdoelen van dit hoofdstuk voor schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren. Hiertoe moet aan de volgende functionele vereisten worden voldaan:

.1 er moeten brandbeveiligingssystemen aanwezig zijn om het schip te beveiligen tegen de aanvullende brandrisico’s die met het vervoer van gevaarlijke stoffen samenhangen;

.2 gevaarlijke stoffen moeten op afdoende wijze van ontstekingsbronnen worden gescheiden; en

.3 er moet deugdelijke beschermende persoonlijke uitrusting aanwezig zijn met het oog op de risico’s die met het vervoer van gevaarlijke stoffen samenhangen.

2 Algemene vereisten

2.1 Bepaalde soorten schepen en laadruimten, bedoeld in paragraaf 2.2 die zijn bestemd voor vervoer van gevaarlijke stoffen, moeten niet alleen voldoen aan de vereisen van de voorschriften in de delen B, C, D, E en aan de voorschriften 18 en 20 die worden gesteld ten aanzien van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren, al naar gelang, maar ook aan de desbetreffende eisen die worden gesteld in dit voorschrift, behalve wanneer zij gevaarlijke stoffen in kleine hoeveelheden vervoeren en vrijgestelde hoeveelheden, tenzij aan deze eisen reeds is voldaan door inachtneming van het bepaalde elders in dit hoofdstuk. De soorten schepen en de wijzen van vervoer van gevaarlijke stoffen staan vermeld in paragraaf 2.2 en in tabel 19.1 Vrachtschepen met een brutotonnage van minder dan 500 ton moeten aan dit voorschrift voldoen, doch de Administratie kan afwijkingen van deze eisen toestaan; afwijkingen van de eisen moeten worden vermeld in de in paragraaf 4 bedoelde verklaring.

2.2 De volgende soorten schepen en laadruimten vallen binnen het toepassingsgebied van de tabellen 19.1 en 19.2:

.1 schepen en laadruimten die niet specifiek zijn ontworpen voor het vervoer van vrachtcontainers, maar die zijn bestemd voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen, waaronder begrepen gevaarlijke stoffen in vrachtcontainers en losse tanks;

.2 speciaal gebouwde containerschepen en laadruimten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in vrachtcontainers en losse tanks;

.3 ro-ro-schepen en ro-ro-ruimten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

.4 schepen en laadruimten bestemd voor het vervoer in bulk van vaste gevaarlijke stoffen; en

.5 schepen en laadruimten bestemd voor het vervoer van lichters beladen met gevaarlijke stoffen anders dan vloeistoffen en gassen in bulk.

3 Bijzondere vereisten

Tenzij anders wordt bepaald, moet bij de toepassing van de tabellen 19.1, 19.2 en 19.3 op zowel het „aan dek” als het „onder dek” stuwen van gevaarlijke stoffen waarbij de nummers van de volgende paragrafen in de eerste kolom van de tabellen staan aangeduid, aan de volgende eisen worden voldaan.

3.1 Watervoorziening

3.1.1 Er moeten voorzieningen worden getroffen om te verzekeren dat er onmiddellijk onder de vereiste druk water kan worden aangevoerd vanuit de hoofdbrandblusleiding, hetzij door het op druk houden van die leiding, hetzij door op geschikte plaatsen aangebrachte voorzieningen om de brandbluspompen op afstand in werking te stellen.

3.1.2 Er moet voldoende water worden aangevoerd om vier straalpijpen van een afmeting en onder een druk als aangegeven in voorschrift 10.2, te voorzien; deze moeten kunnen worden gericht op elk deel van de laadruimte, wanneer deze leeg is. Deze hoeveelheid water mag, ten genoegen van de Administratie, met behulp van gelijkwaardige middelen worden toegevoerd.

3.1.3 Er moeten middelen aanwezig zijn om de aangewezen onderdeks gelegen laadruimte doeltreffend te kunnen koelen door middel van ten minste 5 l/min per vierkante meter; dit moet gebeuren door middel van vast aangebrachte sproeikoppen, of door de laadruimte onder water te zetten. Hiertoe kunnen in kleine laadruimten en in kleine afdelingen van grotere laadruimten, brandslangen worden gebruikt, zulks naar goeddunken van de Administratie. De spui- en lensinrichtingen moeten evenwel zodanig zijn dat de vorming van vrije vloeistofoppervlakken wordt voorkomen. Het afvoersysteem moet een zodanige capaciteit hebben dat hiermee ten minste 125% van de gezamenlijke capaciteit van zowel de pompen van de watersproei-installatie als het vereiste aantal straalpijpen kan worden afgevoerd. De afsluitkleppen van het afvoersysteem moeten van buiten de beveiligde ruimte kunnen worden bediend op een plaats in de nabijheid van de bedieningsmiddelen van de brandblusinstallatie. Lensputten moeten voldoende inhoudscapaciteit hebben en moeten bij de huid van het schip worden aangebracht op een onderlinge afstand van ten hoogste 40 m in elke waterdichte afdeling. Is dit niet mogelijk, dan moet de Administratie, voor zover zij zulks noodzakelijk acht, bij haar goedkeuring van de stabiliteitsgegevens rekening houden met de nadelige invloed van het toegevoegde gewicht en het vrije vloeistofoppervlak op de stabiliteit.

3.1.4 Voorzieningen om een aangewezen onderdeks gelegen laadruimte met doeltreffende, met name genoemde middelen onder water te zetten, kunnen in de plaats worden gesteld van het vereiste in paragraaf 3.1.3.

3.1.5 De totaal vereiste capaciteit van de watertoevoer moet gelijktijdig voldoen aan de paragrafen 3.1.2 en 3.1.3, indien van toepassing, berekend voor de grootste aangewezen laadruimte. Aan de capaciteitsvereisten van paragraaf 3.1.2 moet worden voldaan door de totale capaciteit van de hoofdbrandpomp(en), de capaciteit van een eventueel aangebrachte noodbrandpomp niet meegerekend. Indien een drenchersysteem wordt gebruikt om aan de vereisten van paragraaf 3.1.3 te voldoen, moet de drencherpomp bij de berekening van de totale capaciteit worden betrokken.

3.2 Ontstekingsbronnen

In omsloten laadruimten of voertuigruimten mag geen elektrische apparatuur en bekabeling worden aangebracht, tenzij dit naar het oordeel van de Administratie van essentieel belang is voor bedrijfsvoering aan boord. Indien in dergelijke ruimten echter wel elektrische apparatuur wordt aangebracht, moet deze van een type zijn dat erkend veilig is in gevaarlijke omgevingen waaraan deze wordt blootgesteld, tenzij het mogelijk is het elektrisch systeem volledig te isoleren (door het verwijderen van verbindingen, anders dan zekeringen). Wanneer kabels door dekken en schotten worden gevoerd, moet de doorvoeropening zijn afgedicht tegen (doorlating van) gas of damp. Doorgevoerde kabels en kabels in laadruimten moeten worden beschermd tegen beschadiging door stoten. Alle andere uitrusting die een bron van ontsteking van brandbare damp kan vormen, is niet toegestaan.

3.3 Detectie-installatie

In ro-ro-ruimten moet een vaste branddetectie- en brandalarminstallatie zijn aangebracht die voldoet aan de vereisten van de Code inzake brandveiligheidssystemen. Alle andere typen laadruimten moeten zijn voorzien van ofwel een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie, ofwel een rookdetectie-installatie die luchtmonsters neemt die voldoet aan de vereisten van de Code inzake brandveiligheidssystemen. Indien een rookdetectie-installatie die luchtmonsters neemt wordt aangebracht, moet bijzondere aandacht worden geschonken aan paragraaf 2.1.3 van hoofdstuk 10 van de Code inzake brandveiligheidssystemen, teneinde te voorkomen dat giftige dampen binnendringen in bemande ruimten.

3.4 Ventilatie

3.4.1 Omsloten laadruimten moeten zijn voorzien van toereikende mechanische ventilatie. Het systeem moet zodanig zijn dat ten minste zes luchtwisselingen per uur in de laadruimte kunnen plaatsvinden op basis van een lege laadruimte en dat uit de hoger of lager gelegen delen van de laadruimte, al naar gelang, dampen kunnen worden afgevoerd.

3.4.2 De ventilatoren moeten zo zijn uitgevoerd dat de mogelijkheid van ontsteking van ontvlambare mengsels van gas en lucht wordt voorkomen. De in- en uitlaatopeningen voor de ventilatie moeten zijn afgeschermd door hiertoe geschikte gaasroosters.

3.4.3 Op omsloten laadruimten bestemd voor het vervoer van vaste gevaarlijke stoffen in bulk moet natuurlijke ventilatie worden aangebracht, indien geen voorziening voor mechanische ventilatie aanwezig is.

3.5 Lenzen

3.5.1 Wanneer het de bedoeling is ontvlambare of giftige vloeistoffen te vervoeren in omsloten laadruimten, moet het lenssysteem zo zijn ontworpen dat deze vloeistoffen niet door onoplettendheid door leidingen of pompen in machineruimten kunnen worden gepompt. Wanneer er grote hoeveelheden ontvlambare of giftige vloeistoffen worden vervoerd, moet worden overwogen aanvullende middelen voor het lenzen van dergelijke laadruimten aan te brengen.

3.5.2 Indien het lenswaterafvoersysteem een aanvulling vormt op het systeem dat wordt bediend door de pompen in de machineruimte, moet de capaciteit van het systeem ten minste 10 m3/u bedragen per laadruimte die erdoor wordt bediend. Indien het aanvullende systeem een algemeen systeem is, behoeft de capaciteit niet meer te bedragen dan 25 m3/u. Het aanvullende lenssysteem behoeft niet dubbel te worden uitgevoerd.

3.5.3 Wanneer ontvlambare of giftige vloeistoffen worden vervoerd, moet de lenspijp die de machineruimte ingaat worden geïsoleerd door middel van een blinde flens of een gesloten vergrendelbare klep.

3.5.4 Omsloten ruimten, buiten machineruimten, waarin lenspompen zijn ondergebracht die laadruimten bedienen die zijn bestemd voor het vervoer van ontvlambare of giftige vloeistoffen, moeten worden uitgerust met een aparte mechanische ventilatie met een capaciteit van ten minste zes luchtwisselingen per uur. Indien deze ruimte vanuit een andere omsloten ruimte toegankelijk is, moet de deur zelfsluitend zijn.

3.5.5 Indien de lenswaterafvoer in laadruimten plaatsvindt door middel van de zwaartekracht, moet het afvoerwater ofwel rechtstreeks overboord worden geloosd, ofwel worden opgevangen in een gesloten lenswatertank buiten de machineruimte. De tank moet zijn uitgerust met een ontluchtingspijp die uitkomt op een veilige plaats op het open dek. Afvoer uit een laadruimte in een lensput op een lager dek is uitsluitend toegestaan wanneer die ruimte voldoet aan dezelfde vereisten als bovengenoemde laadruimte.

3.6 Persoonlijke bescherming

3.6.1 Er moeten, naast de krachtens voorschrift 10.10 vereiste brandweeruitrusting, vier stellen volledig beschermende, chemicaliënbestendige kleding aanwezig zijn en wordt gekozen rekening houdend met de gevaren die verband houden met de te vervoeren chemische stoffen en met de door de Organisatie ontwikkelde normen in overeenstemming met de klasse en fysieke staat. De beschermende kleding moet de gehele huid bedekken, zodat geen enkel deel van het lichaam onbeschermd is.

3.6.2 Afgezien van de krachtens voorschrift 10 vereiste persluchttoestellen, moeten er nog twee van zulke toestellen aanwezig zijn. Voor elk vereist ademhalingstoestel moeten twee reservevullingen aanwezig zijn die geschikt zijn om met het ademhalingstoestel te worden gebruikt. Op passagiersschepen die niet meer dan 36 passagiers vervoeren en op vrachtschepen die zijn voorzien van op geschikte plaatsen aangebrachte inrichtingen voor het zonder besmetting volledig opnieuw vullen van de luchtcilinders, behoeft slechts één reservevulling voor elk vereist ademhalingstoestel aanwezig te zijn.

3.7 Draagbare brandblustoestellen

Voor de laadruimten moeten draagbare brandblustoestellen met een totale capaciteit van ten minste 12 kg droogpoeder of een hiermee gelijk te stellen blusvermogen aanwezig zijn. Deze blustoestellen zijn vereist naast eventuele, elders in dit hoofdstuk vereiste draagbare brandblustoestellen.

3.8 Isolatie van begrenzingswanden van machineruimten

Schotten die begrenzingswanden tussen laadruimten en machineruimten van categorie A vormen, moeten worden geïsoleerd volgens de norm voor klasse „A-60”, tenzij de gevaarlijke stoffen op een afstand van ten minste 3 m, horizontaal gemeten, vanaf zulke schotten zijn gestuwd. Andere begrenzingswanden tussen zulke ruimten moeten worden geïsoleerd volgens de norm voor klasse „A-60”.

3.9 Watersproei-installatie

Iedere open ro-ro-ruimte waarboven zich een dek bevindt en iedere ruimte die wordt beschouwd als een gesloten ro-ro-ruimte die niet kan worden afgedicht, moet zijn voorzien van een goedgekeurde, vast aangebrachte, met de hand te bedienen watersproei-installatie die alle delen van elk dek en elk autodek in de ruimte moet beveiligen, met dien verstande dat de Administratie kan toestaan dat een andere vast aangebrachte brandblusinstallatie wordt gebruikt, mits deze door een proefneming op ware grootte niet minder doeltreffend is gebleken. De spui- en lensinrichtingen moeten evenwel zodanig zijn dat de vorming van vrije vloeistofoppervlakken wordt voorkomen. Het afvoersysteem moet een zodanige capaciteit hebben dat hiermee ten minste 125% van de gezamenlijke capaciteit van zowel de pompen van de watersproei-installatie als van het vereiste aantal brandslangstraalpijpen kan worden afgevoerd. De afsluitkleppen van het afvoersysteem moeten van buiten de beveiligde ruimte kunnen worden bediend op een plaats in de nabijheid van de bedieningsmiddelen van de brandblusinstallatie. Lensputten moeten voldoende inhoudscapaciteit hebben en moeten bij de huid van het schip worden aangebracht op een onderlinge afstand van ten hoogste 40 m in elke waterdichte afdeling. Is dit niet mogelijk, dan moet de Administratie, voor zover zij zulks noodzakelijk acht, bij haar goedkeuring van de stabiliteitsgegevens rekening houden met de nadelige invloed van het toegevoegde gewicht en het vrije vloeistofoppervlak op de stabiliteit.

3.10 Scheiding van ro-ro-ruimten

3.10.1 Op schepen met ro-ro-ruimten moet een afscheiding zijn aangebracht tussen een gesloten ro-ro-ruimte en een aangrenzende open ro-ro-ruimte. De afscheiding moet zodanig zijn dat de doorstroming van gevaarlijke dampen en vloeistoffen tussen dergelijke ruimten tot een minimum wordt beperkt. Een dergelijke afscheiding behoeft niet te worden aangebracht indien de ro-ro-ruimte over de volle lengte wordt beschouwd als een gesloten ruimte, die moet voldoen aan de relevante bijzondere vereisten van dit voorschrift.

3.10.2 Op schepen met ro-ro-ruimten moet een afscheiding zijn aangebracht tussen een gesloten ro-ro-ruimte en het aangrenzende aan weer en wind blootgestelde dek. De afscheiding moet zodanig zijn dat de doorstroming van gevaarlijke dampen en vloeistoffen tussen dergelijke ruimten tot een minimum wordt beperkt. Een dergelijke afscheiding behoeft niet te worden aangebracht indien de voorzieningen voor de gesloten ro-ro-ruimten in overeenstemming zijn met hetgeen vereist wordt voor de gevaarlijke goederen die worden vervoerd op aangrenzende, aan weer en wind blootgestelde dekken.

4 Verklaring dat wordt voldaan aan de eisen

De Administratie moet het schip voorzien van een officieel document waaruit blijkt dat de constructie en de uitrusting voldoen aan de in dit voorschrift vervatte eisen. Certificering voor gevaarlijke stoffen, behoudens vaste gevaarlijke stoffen in bulk, is niet vereist voor lading van klasse 6.2 en 7, en gevaarlijke stoffen in kleine hoeveelheden en vrijgestelde hoeveelheden.

Tabel 19.1 – Toepassing van de eisen op de verschillende methoden van vervoer van gevaarlijke stoffen op schepen en in laadruimten

Waar in tabel 19.1 een „X” staat aangegeven betekent dit dat deze eis geldt voor alle klassen gevaarlijke stoffen als vermeld in de desbetreffende kolom van tabel 19.3, behoudens de vermelding in de noten.

Voorschrift 19.2.2 | | .1 | .2 | .3 | .4 | .5

Voorschrift 19 | Aan weer en wind blootgestelde dekken 1 tot en met 5 | Niet speciaal ontworpen | Laadruimten voor containers | Gesloten ro-ro-ruimten5 | Open ro-ro-laadruimten | Vaste gevaarlijke stoffen in bulk | Aan boord vervoerde lichters

3.1.1 | X | X | X | X | X | Voor de toepassing van de in voorschrift 19 gestelde eisen op verschillende klassen gevaarlijke stoffen zie tabel 19.2 | X

3.1.2 | X | X | X | X | X | –

3.1.3 | – | X | X | X | X | X

3.1.4 | – | X | X | X | X | X

3.2 | – | X | X | X | X | X4

3.3 | – | X | X | X | – | X4

3.4.1 | – | X | X1) | X | – | X4

3.4.2 | – | X | X1) | X | – | X4

3.5 | – | X | X | X | – | –

3.5.1 | X | X | X | X | X | –

3.6.2 | X | X | X | X | X | –

3.7 | X | X | – | – | X | –

3.8 | X | X | X2 | X | X | –

3.9 | – | – | – | X3 | X | –

3.10.1 | – | – | – | X | – | –

3.10.2 | – | – | – | X | – | –

Noten

1) Voor vaste lading uit klassen 4 en 5.1 niet van toepassing op gesloten vrachtcontainers. Voor klassen 2, 3, 6.1 en 8 kan de ventilatiecapaciteit, wanneer de stoffen in gesloten vrachtcontainers worden vervoerd, worden verminderd tot niet minder dan twee luchtwisselingen per uur. Voor vloeistoffen uit klassen 4 en 5.1 kan de ventilatiecapaciteit, wanneer de stoffen in gesloten vrachtcontainers worden vervoerd, worden verminderd tot niet minder dan twee luchtwisselingen per uur. Voor de toepassing van deze eis wordt een losse tank als gesloten vrachtcontainer beschouwd.

2 Uitsluitend van toepassing op dekken.

3 Uitsluitend van toepassing op gesloten ro-ro-ruimten die niet kunnen worden afgedicht.

4 In het speciale geval waarin de lichters ontvlambare dampen kunnen bevatten, of indien door middel van aan de lichters verbonden ventilatiekanalen ontvlambare dampen kunnen worden afgevoerd naar een veilige ruimte buiten de ruimte waarin de lichters worden vervoerd, kan ten genoegen van de Administratie verlichting of vrijstelling van deze eisen worden verleend.

5 Ruimten van bijzondere aard moeten worden behandeld als gesloten ro-ro-ruimten indien gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Tabel 19.2 - Toepassing van de eisen op verschillende klassen gevaarlijke stoffen voor schepen en laadruimten waarin vaste gevaarlijke stoffen in bulk worden vervoerd

Klasse | 4.1 | 4.2 | 4.36 | 5.1 | 6.1 | 8 | 9

Voorschrift 19

3.1.1 | X | X | - | X | - | - | X

3.1.2 | X | X | - | X | - | - | X

3.2 | X | X7 | X | X8 | - | - | X8

3.4.1 | - | X7 | X | - | - | - | -

3.4.2 | X9 | X7 | X | X7,9 | - | - | X7, 9

3.4.3 | X | X | X | X | X | X | X

3.6 | X | X | X | X | X | X | X

3.8 | X | X | X | X7 | - | - | X10

Noten:

6 De gevaren van eventueel in bulk te vervoeren stoffen van deze klasse zijn zodanig dat de Administratie niet alleen aan de naleving van de in deze tabel opgesomde vereisten, maar ook aan de bouw en de uitrusting van het betrokken schip bijzondere aandacht moet schenken.

7 Alleen van toepassing op voederkoek die extracten van oplosmiddelen bevat, op ammoniumnitraat en op ammoniumnitraat-houdende kunstmest.

8 Alleen van toepassing op ammoniumnitraat en ammoniumnitraat-houdende kunstmest. Een mate van beveiliging overeenkomstig de normen als vervat in Publicatie 60079 van de Internationale Elektrotechnische Commissie: Elektrische apparatuur voor explosieve gasatmosferen, volstaat echter.

9 Alleen geschikte gaaswanden zijn vereist.

10 De eisen van de Internationale maritieme code voor het vervoer van vaste lading in bulk (IMSBC-Code) zoals gewijzigd, volstaan.

11. Indien „mechanisch geventileerde ruimten” worden vereist door de IMDG-Code.

12. In alle gevallen stuwen op een horizontale afstand van 3 m vanaf de begrenzingswanden van machineruimten.

13. Zie de IMDG-Code.

14. Al naar gelang de te vervoeren goederen.

15. FP heeft betrekking op het vlampunt.

16. Volgens de bepalingen van de IMDG-Code is stuwage van gevaarlijke stoffen van klasse 5.2 onderdeks of in besloten ro-ro ruimten verboden.

17. Alleen van toepassing op gevaarlijke stoffen waarbij in de IMDG-Code vermelde brandbare dampen vrijkomen.

18. Alleen van toepassing op gevaarlijke stoffen met een vlampunt van lager dan 23ºC vermeld in de IMDG-Code.

19. Alleen van toepassing op gevaarlijke stoffen met een bijkomend risico klasse 6.1.

20. Volgens de bepalingen van de IMDG-Code is stuwage van gevaarlijke stoffen van klasse 2.3 met een bijkomend risico klasse 2.1 onderdeks of in besloten ro-ro ruimten verboden.

21. Volgens de bepalingen van de IMDG-Code is stuwage van vloeistoffen van klasse 4.3 met een vlampunt van lager dan 23ºC onderdeks of in besloten ro-ro ruimten verboden.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl