Voorschrift 7 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
BRANDBESTRIJDING
1 Doel
Het doel van dit voorschrift is detectie van een brand in de ruimte waarin deze is ontstaan en alarmering ten behoeve van veilige ontvluchting en brandbestrijdingsactiviteiten. Hiertoe moet aan de volgende functionele vereisten worden voldaan:
.1 vast aangebrachte branddetectie- en brandalarmsystemen moeten zijn toegesneden op de aard van de ruimte, de kans op uitbreiding van een brand en de mogelijke vorming van rook en gassen;
.2 teneinde de aanwezigheid van een gemakkelijk toegankelijk meldingssysteem te waarborgen, moeten doeltreffende met de hand bediende meldingspunten worden aangebracht; en
.3 door middel van brandrondediensten moet een doeltreffende opsporing en lokalisering van brand alsmede alarmering van de navigatiebrug en brandbestrijdingsteams worden gewaarborgd.
2 Algemene vereisten
2.1 In overeenstemming met dit voorschrift moet een vaste branddetectie- en brandalarminstallatie worden aangebracht.
2.2 De in dit voorschrift en andere voorschriften in dit deel vereiste vast aangebrachte branddetectie-, brandalarm- en rookdetectie-installaties die luchtmonsters nemen, moeten van een goedgekeurd type zijn en voldoen aan de Code inzake brandveiligheidssystemen.
2.3 Wanneer voor de beveiliging van andere ruimten dan die welke in paragraaf 5.1 worden genoemd, een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie is vereist, moet in iedere dergelijke ruimte ten minste één detector zijn aangebracht die voldoet aan het bepaalde in de Code inzake brandveiligheidssystemen.
2.4 Een vaste brandopsporings- en alarminstallatie op passagiersschepen moet elke detector en elk met de hand bediend meldingspunt op afstand en afzonderlijk kunnen herkennen.
3 Eerste beproeving en periodieke beproevingen
3.1 De werking van de in de desbetreffende voorschriften van dit hoofdstuk vereiste vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallaties moet na de installatie ervan onder uiteenlopende ventilatie-omstandigheden worden beproefd.
3.2 De werking van de vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallaties moet met geregelde tussenpozen ten genoegen van de Administratie worden beproefd, door middel van apparatuur die hete lucht op de juiste temperatuur produceert, dan wel rook of aërosoldeeltjes die het juiste scala van dichtheid of afmeting per deeltje hebben, of andere verschijnselen verband houdende met het ontstaan van brand genereert, waarop de detectors behoren te reageren.
4 Beveiliging van de machineruimten
4.1 Installatie
Er moet een vaste branddetectie- en brandalarminstallatie zijn aangebracht in:
.1 machineruimten die periodiek zonder toezicht zijn;
.2 machineruimten wanneer:
.2.1 de aanbrenging van automatisch werkende installaties en afstandbedieningssystemen, alsmede de hierbij behorende uitrusting is goedgekeurd ter vervanging van een doorlopende wachtbezetting in die ruimte; en
.2.2 de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende werktuigen, met inbegrip van de hoofdstroomvoorziening, zijn voorzien van verschillende gradaties van automatische bediening of afstandsbediening en voortdurend onder toezicht staan vanuit een bemande controlekamer en
.3 omsloten ruimten waarin zich vuilverbrandingsovens bevinden.
4.2 Ontwerp
De in paragraaf 4.1.1 vereiste vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie moet zodanig zijn ontworpen en de detectors moeten zich op zodanige plaatsen bevinden, dat het ontstaan van brand in enig deel van die ruimten onder normale bedrijfsomstandigheden van de werktuigen, en bij variërende omstandigheden in ventilatie zoals deze worden verlangd door mogelijke schommelingen in de omgevingstemperatuur, snel kan worden gedetecteerd. Behalve in ruimten van beperkte hoogte en daar waar het gebruik van warmtedetectors in het bijzonder passend is, worden geen detectie-installaties toegestaan waarbij slechts gebruik wordt gemaakt van warmtedetectors. De detectie-installaties moeten hoorbare en zichtbare alarmsignalen geven die beide duidelijk te onderscheiden zijn van de alarmsignalen van enige andere installatie die geen brand aanduidt; dit moet gebeuren op voldoende plaatsen om te verzekeren dat de alarmsignalen op de brug en door een verantwoordelijk werktuigkundige worden waargenomen. Wanneer de brug niet bemand is, moet het alarm over gaan op een plaats waar een verantwoordelijk lid van de bemanning dienst heeft.
5 Beveiliging van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations
5.1 Rookdetectors in ruimten voor accommodatie
In alle trapgedeelten, gangen en ontsnappingsroutes binnen de ruimten voor accommodatie moeten overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 5.2, 5.3 en 5.4 rookdetectors worden geïnstalleerd. Er moet aandacht worden geschonken aan de installatie van speciale rookdetectors binnen de ventilatiekanalen.
5.2 Vereisten voor passagiersschepen die meer dan 36 passagiers vervoeren
Er moet een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie op zodanige wijze worden geïnstalleerd en ingesteld, dat rookdetectie mogelijk is in dienstruimten, controlestations en ruimten voor accommodatie, met inbegrip van gangen, trappen en vluchtwegen binnen ruimten voor accommodatie. Rookdetectors behoeven niet te worden aangebracht in privé-badkamers en kombuizen. In ruimten waar geen of weinig brandrisico bestaat, zoals lege ruimten, openbare toiletten, kooldioxidekamers en soortgelijke ruimten, behoeft geen vaste branddetectie- en brandalarminstallatie te worden geïnstalleerd. In hutten aangebrachte detectors moeten, wanneer deze zijn geactiveerd, tevens een hoorbaar waarschuwingssignaal kunnen afgeven of doen afgeven, dat hoorbaar is in de ruimte waar ze zijn aangebracht.
5.3 Vereisten voor passagiersschepen die niet meer dan 36 passagiers vervoeren
In iedere afzonderlijke verticale of horizontale sectie, in alle ruimten voor accommodatie en dienstruimten en, indien zulks door de Administratie noodzakelijk wordt geacht, moet in controlestations, met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren (zoals lege ruimten, sanitaire ruimten enz.), hetzij:
.1 een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie worden geïnstalleerd en ingesteld, zodanig dat de aanwezigheid van brand in dergelijke ruimten wordt gedetecteerd en dat rook kan worden gedetecteerd in gangen en op trapgedeelten en ontsnappingsroutes binnen ruimten voor accommodatie. In hutten aangebrachte detectoren moeten, wanneer deze zijn geactiveerd, tevens een hoorbaar waarschuwingssignaal kunnen afgeven of doen afgeven, dat hoorbaar is in de ruimte waar ze zijn aangebracht; of
.2 een automatische sprinkler-, branddetectie- en brandalarminstallatie van een goedgekeurd type die voldoet aan de desbetreffende vereisten van de Code inzake brandveiligheidssystemen worden geïnstalleerd en ingesteld, zodanig dat dergelijke ruimten worden beveiligd en, daarnaast, een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie die zodanig wordt geïnstalleerd en ingesteld dat rook kan worden gedetecteerd in gangen en op trapgedeelten en ontsnappingsroutes binnen ruimten voor accommodatie.
5.4 Beveiliging van atriums op passagiersschepen
De gehele verticale hoofdsectie waarvan het atrium deel uitmaakt, moet overal worden beveiligd door een rookdetectie-installatie.
5.5 Vrachtschepen
(De vereisten van paragraaf 5.5 zijn van toepassing op schepen gebouwd op of na 1 januari 2026. Schepen gebouwd vóór 1 januari 2026 moeten, voor zover praktisch uitvoerbaar, voldoen aan de eerder van toepassing zijnde vereisten van paragraaf 5.5.)
Ruimten voor accommodatie en dienstruimten en controlestations op vrachtschepen moeten, afhankelijk van de in overeenstemming met voorschrift 9.2.3.1 gekozen beveiligingsmethode, als volgt worden beveiligd door middel van een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie en/of een automatische sprinkler-, branddetectie- of brandalarminstallatie.
5.5.1 Methode IC
Er moet een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie worden geïnstalleerd en ingesteld, zodanig dat rookdetectie mogelijk is in alle gangen en trapgedeelten en op alle ontsnappingsroutes binnen ruimten voor accommodatie en in alle controlestations en ladingcontrolekamers.
5.5.2 Methode IIC
Er moet een automatische sprinkler-, branddetectie- en brandalarminstallatie van een goedgekeurd type die voldoet aan de desbetreffende vereisten van de Code inzake brandveiligheidssystemen worden geïnstalleerd en ingesteld, zodanig dat ruimten voor accommodatie, kombuizen en andere dienstruimten worden beveiligd, met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren (zoals lege ruimten, sanitaire ruimten, enzovoort). Daarnaast moet een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie worden geïnstalleerd en ingesteld, zodanig dat rookdetectie mogelijk is in alle gangen en trapgedeelten en op alle ontsnappingsroutes binnen ruimten voor accommodatie en in alle controlestations en ladingcontrolekamers.
5.5.3 Methode IIIC
Er moet een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie worden geïnstalleerd en ingesteld, zodanig dat branddetectie mogelijk is in alle ruimten voor accommodatie en dienstruimten en rookdetectie mogelijk is in gangen, trapgedeelten en op vluchtwegen binnen ruimten voor accommodatie, met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren (zoals lege ruimten, sanitaire ruimten enzovoort). Daarnaast moet een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie worden geïnstalleerd en ingesteld, zodanig dat rookdetectie mogelijk is in alle gangen en trapgedeelten en op alle ontsnappingsroutes binnen ruimten voor accommodatie en in alle controlestations en ladingcontrolekamers.
6 Beveiliging van laadruimten op passagiersschepen
Er moet een vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallatie, of een rookdetectie-installatie die luchtmonsters neemt, aanwezig zijn in elke laadruimte die naar het oordeel van de Administratie niet toegankelijk is, behalve wanneer ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip voor reizen van zo korte duur wordt gebruikt dat het onredelijk zou zijn deze bepaling toe te passen.
7 Met de hand bediende meldingspunten
In alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten met de hand bediende meldingspunten worden aangebracht die voldoen aan de Code inzake brandveiligheidssystemen. Bij iedere uitgang moet zich één met de hand te bedienen meldingspunt bevinden. Zulke punten moeten gemakkelijk toegankelijk zijn in gangen op ieder dek, en wel zodanig dat geen enkel deel van de gang op een afstand van meer dan 20 m van een met de hand te bedienen meldingspunt gelegen is.
8 Brandrondediensten op passagiersschepen
8.1 Brandrondediensten
Op schepen die meer dan 36 passagiers vervoeren moet een doeltreffende brandrondedienst worden onderhouden, zodat het uitbreken van een brand meteen wordt ontdekt. Ieder lid van de brandrondedienst moet vertrouwd worden gemaakt met de inrichting van het schip en met de plaatsing en de werking van alle uitrusting die hij mogelijk zal moeten gebruiken.
8.2 Inspectieluiken
Plafonds en schotten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de brandrondedienst eventuele rook afkomstig uit verborgen en ontoegankelijke plaatsen kan ontdekken zonder dat de doeltreffendheid van de brandbeveiliging wordt geschaad, behalve wanneer er naar de mening van de Administratie geen gevaar bestaat dat er op zulke plaatsen brand ontstaat.
8.3 Duplex-portofoon
Elk lid van de brandrondedienst moet zijn voorzien van een duplex-portofoon.
9 Brandalarmsignaleringssystemen op passagiersschepen
9.1 Te allen tijde moeten passagiersschepen op zee of in de haven (behalve wanneer het uit de vaart is) zo bemand of uitgerust zijn, dat zeker gesteld wordt dat een lid van de bemanning dat op dit gebied verantwoordelijk is, elk eerste brandalarm onmiddellijk ontvangt.
9.2 Het controlepaneel van vast aangebrachte branddetectie- en brandalarminstallaties moet zodanig zijn ontworpen dat een storing in het systeem door het systeem zelf wordt aangegeven (zodat bijv. alarm wordt gegeven bij een open detectorcircuit).
9.3 Op passagiersschepen die meer dan 36 passagiers vervoeren moeten de door paragraaf 5.2 voorgeschreven brandalarminstallaties worden samengebracht in een doorlopend bemand centraal controlestation. Daarnaast moet de bedieningsapparatuur voor het op afstand sluiten van branddeuren en het stopzetten van ventilatoren worden samengebracht op dezelfde plaats. De ventilatoren moeten door de bemanning op het doorlopend bemande controlestation weer in werking kunnen worden gesteld. De controlepanelen in het centrale controlestation moeten in staat zijn aan te geven of branddeuren open of gesloten zijn en of detectors, alarmen en ventilatoren in- of uitgeschakeld zijn. Het controlepaneel moet voortdurend van stroom worden voorzien en beschikken over een automatische overschakeling op een noodstroomvoorziening ingeval de normale stroomvoorziening uitvalt. Het controlepaneel moet van stroom worden voorzien vanuit de hoofdstroomvoorziening en de noodstroomvoorziening omschreven in voorschrift II-1/42, tenzij in de voorschriften andere toepasselijke regelingen zijn toegestaan.
9.4 Een speciale alarminstallatie die vanaf de navigatiebrug of het controlestation kan worden bediend, moet worden aangebracht ter oproeping van de bemanning. Dit alarm kan een deel zijn van de algemene alarminstallatie van het schip en moet onafhankelijk van het alarm in de passagiersruimten in werking kunnen worden gesteld.
10 Beveiliging van hutbalkons op passagiersschepen
Op hutbalkons van schepen waarop voorschrift 5.3.4 van toepassing is, moet, wanneer meubilair en inrichting op dergelijke balkons niet conform de voorschriften 3.40.1, 3.40.2, 3.40.3, 3.40.6 en 3.40.7 zijn, een vaste branddetectie- en brandalarminstallatie zijn aangebracht die voldoet aan de bepalingen van de Code inzake brandveiligheidsystemen.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0