Voorschrift 4 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
VOORKOMING VAN BRAND EN EXPLOSIE
1. Doel
Het doel van dit voorschrift is de ontbranding van brandbare stoffen of ontvlambare vloeistoffen te voorkomen. Hiertoe moet aan de volgende functionele vereisten worden voldaan:
.1 er moet worden gezorgd voor middelen voor het controleren op lekkende ontvlambare vloeistoffen;
.2 er moet worden gezorgd voor middelen om de accumulatie van ontvlambare dampen te beperken;
.3 de ontbrandingscapaciteit van brandbare materialen moet worden beperkt;
.4 ontstekingsbronnen moeten worden beperkt;
.5 ontstekingsbronnen moeten worden gescheiden van brandbare materialen en ontvlambare vloeistoffen; en
.6 de atmosfeer in ladingtanks moet buiten het ontploffingsbereik worden gehouden.
2. Inrichtingen voor brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën
2.1 Beperkingen in het gebruik van olie als brandstof
De volgende beperkingen zijn van toepassing op het gebruik van olie als brandstof:
.1 behoudens waar elders in deze paragraaf toegestaan, mag geen brandstofolie worden gebruikt met een vlampunt dat lager is dan 60 °C;
.2 voor het gebruik in noodgeneratoren mag brandstofolie worden gebruikt met een vlampunt dat niet lager is dan 43 °C;
.3 het gebruik van brandstofolie met een vlampunt dat lager is dan 60 °C maar niet lager dan 43 °C kan worden toegestaan (bijv. voor toevoer naar de noodmotoren van de brandbluspomp en de hulpmachines die zich niet in de machineruimten van categorie A bevinden), met dien verstande dat:
.3.1 brandstofolietanks, behalve die welke zijn geplaatst in afdelingen met een dubbele bodem, buiten de machineruimten van categorie A moeten worden geplaatst;
.3.2 voorzieningen moeten worden aangebracht voor de meting van de olietemperatuur op de aanzuigleiding van de brandstofoliepomp;
.3.3 afsluiters en/of kranen moeten worden aangebracht aan de inlaat- en uitlaatzijde van de brandstofoliefilters; en
.3.4 steeds waar mogelijk leidingenkoppelingen moeten worden gelast, of conuskoppelingen of sferische koppelingen moeten worden toegepast;
.4 op vrachtschepen, waarop deel G van hoofdstuk II-1 niet van toepassing is, kan het gebruik van brandstof met een lager vlampunt dan in paragraaf 2.1.1 vermeld, bijvoorbeeld ruwe olie, worden toegestaan mits deze brandstof niet wordt opgeslagen in een machineruimte en onder voorbehoud van de goedkeuring van de gehele installatie door de Administratie;
.5 op schepen, waarop deel G van hoofdstuk II-1 van toepassing is, is het gebruik van brandstof met een lager vlampunt dan in paragraaf 2.1.1 vermeld toegestaan;
.6 schepen die brandstofolie vervoeren moeten vóór het bunkeren voorzien zijn van een door de vertegenwoordiger van de leverancier van de brandstofolie ondertekende en gewaarmerkte verklaring dat de geleverde brandstofolie voldoet aan paragraaf 2.1 van dit voorschrift en de testmethode die is gebruikt voor het bepalen van het vlampunt. Een bunkerafleveringsbon voor de aan het schip geleverde brandstofolie moet ofwel het vlampunt bevatten dat is opgegeven overeenkomstig voor de Organisatie aanvaardbare normen, ofwel een verklaring dat het vlampunt is gemeten bij of boven 70°C;
.7 De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten de Organisatie, ter toezending aan de Verdragsluitende Regeringen en Lidstaten daarvan, in kennis stellen van alle bevestigde gevallen (vlampunt) waarin de leveranciers van brandstofolie niet hebben voldaan aan de in paragraaf 2.1 van dit voorschrift gespecificeerde eisen;
.8 De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten passende maatregelen nemen tegen leveranciers van brandstofolie waarvan is vastgesteld dat zij brandstofolie leveren die niet voldoet aan paragraaf 2.1 van dit voorschrift; en
.9 brandstofolie geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen mag de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden of niet schadelijk zijn voor personeel.
2.2 Inrichtingen voor brandstofolie
Op een schip waar brandstofolie wordt gebruikt, moeten de inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van brandstofolie zodanig zijn dat de veiligheid van het schip en van de personen aan boord zeker wordt gesteld; zij moeten ten minste voldoen aan de onderstaande bepalingen.
2.2.1 Plaats van de brandstofoliesystemen
Voor zover mogelijk mag geen gedeelte van het brandstofoliesysteem dat verwarmde olie onder een druk van meer dan 0,18 N/mm2 bevat, dusdanig aan het oog onttrokken worden aangebracht, dat gebreken en lekkage niet gemakkelijk kunnen worden waargenomen. Ter plaatse van dergelijke onderdelen van het brandstofoliesysteem moet de machineruimte voldoende verlicht zijn.
2.2.2 Ventilatie van de machineruimten
De ventilatie van machineruimten moet onder alle normale omstandigheden voldoende zijn om ophoping van oliedampen te voorkomen.
2.2.3 Brandstofolietanks
2.2.3.1 Brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën mogen niet in voorpiektanks worden vervoerd.
2.2.3.2 Voor zover praktisch mogelijk moeten de brandstofolietanks deel uitmaken van de scheepsconstructie en buiten de machineruimten van categorie A gelegen zijn. Wanneer brandstofolietanks, met uitzondering van tanks in de dubbele bodem, noodzakelijkerwijze naast of in machineruimten van categorie A gelegen zijn, moet ten minste een van hun verticale wanden grenzen aan de buitenwand van de machineruimte en moeten zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingswand hebben met tanks in de dubbele bodem en moet de oppervlakte van de begrenzingswand tussen de tank en de machineruimte zo klein mogelijk zijn. Wanneer dergelijke tanks zich bevinden binnen de begrenzing van machineruimten van categorie A, mogen zij geen brandstofolie bevatten waarvan het vlampunt beneden de 60 °C ligt. Over het algemeen moet het gebruik van losse brandstofolietanks worden vermeden. Wanneer zulke tanks worden gebruikt, mogen zij niet zijn gelegen in machineruimten van categorie A op passagiersschepen. Indien zij zijn toegestaan moeten zij zijn opgesteld in een oliedichte lekbak van ruime afmetingen die is voorzien van een geschikte afvoerpijp die voert naar een lekolietank van voldoende afmeting.
2.2.3.3 Brandstofolietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat druppelen of lekken van vloeistof daaruit op hete oppervlakken een gevaar voor brand of ontploffing kan vormen.
2.2.3.4 Iedere brandstofolieleiding waaruit bij beschadiging olie zou kunnen ontsnappen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank met een inhoud van 500 l of meer moet zijn voorzien van een kraan of afsluiter direct aan de tank die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimten waarin zulke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat in die ruimte brand uitbreekt. In het bijzondere geval van dieptetanks in een schroefas- of pijpentunnel of soortgelijke ruimte moeten afsluiters op de tanks zijn aangebracht, doch de afsluiting in het geval van brand mag worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de leiding of leidingen buiten de tunnel of soortgelijke ruimte. Indien deze extra afsluiter in de machineruimte is aangebracht moet zij bedienbaar zijn vanaf een plaats buiten die ruimte. De organen voor bediening op afstand van de afsluiter voor de brandstoftank van de noodgenerator moet zich in andere ruimte bevinden dan de organen voor de bediening op afstand van andere afsluiters voor tanks gelegen in machineruimten.
2.2.3.5 Veilige en doeltreffende middelen moeten aanwezig zijn om de hoeveelheid brandstofolie in een tank te bepalen.
2.2.3.5.1 Wanneer peilpijpen worden gebruikt, mogen deze niet uitkomen in enige ruimte waar gevaar aanwezig is voor ontsteking van olie die uit de peilpijpen kan overvloeien. In het bijzonder mogen zij niet uitkomen in ruimten voor passagiers of bemanning. Als algemene regel geldt dat zij niet mogen uitkomen in machineruimten. Indien de Administratie echter van oordeel is dat laatstgenoemde vereisten praktisch niet uitvoerbaar zijn, kan zij toestaan dat peilpijpen wel uitkomen in machineruimten, mits aan de volgende eisen wordt voldaan:
.1 er moet een olieniveaupeilinrichting aanwezig zijn, die moet voldoen aan de vereisten van paragraaf 2.2.3.5.2;
.2 de peilpijpen moeten uitkomen op plaatsen waar geen gevaar voor ontsteking bestaat, tenzij voorzorgsmaatregelen zijn getroffen, zoals het aanbrengen van doeltreffende afscherming om te voorkomen dat brandstofolie die uit uiteinden van de peilpijpen vloeit in contact komt met een ontstekingsbron;
.3 de uiteinden van peilpijpen moeten zijn voorzien van zelfsluitende afsluitmiddelen en van een daaronder geplaatst zelfsluitend controlekraantje van geringe doorsnede, teneinde, alvorens het afsluitmiddel te openen, te kunnen vaststellen dat zich aldaar geen brandstofolie bevindt. Er moeten voorzieningen worden getroffen om te waarborgen dat brandstofolie afkomstig uit het controlekraantje geen gevaar voor ontsteking oplevert.
2.2.3.5.2 In plaats van peilpijpen mogen andere olieniveaupeilinrichtingen worden gebruikt, mits deze voldoen aan de volgende voorwaarden:
.1 aan boord van passagiersschepen mag voor zulke afsluiters doorboring van de tank onder de bovenkant daarvan niet nodig zijn en mag het onklaar raken van die afsluiters of het overvullen van de tanks het niet mogelijk maken dat brandstofolie buiten de tanks geraakt; en
.2 aan boord van vrachtschepen mag het onklaar raken van die afsluiters of het overvullen van de tanks het niet mogelijk maken dat brandstofolie buiten de tanks in de ruimte terechtkomt. Het gebruik van cilindrische peilglazen is verboden. De Administratie kan het gebruik toestaan van olieniveaupeilinrichtingen met platte glazen en zelfsluitende kranen tussen de peilglazen en de brandstoftanks.
2.2.3.5.3 De in de paragrafen 2.2.3.5.2 voorgeschreven middelen die door de Administratie zijn goedgekeurd, moeten goed kunnen worden onderhouden teneinde een voortdurend juiste aanwijzing te verzekeren.
2.2.4 Voorkoming van overdruk
Voorzieningen moeten worden getroffen ter vermijding van overdruk in een brandstofolietank of in een gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van de vulpijpen die door pompen aan boord worden bediend. Lucht- of overvloeipijpen en ontlastkleppen moeten uitkomen op een plaats waar geen gevaar voor brand of ontploffing bestaat als gevolg van de aanwezigheid van olie en damp en mogen niet uitkomen in ruimten voor bemanning of ruimten voor passagiers, noch in ruimten van bijzondere aard, gesloten ro-ro-laadruimten, machineruimten of soortgelijke ruimten.
2.2.5 Brandstofolieleidingen
2.2.5.1 Brandstofolieleidingen en de afsluiters en onderdelen hiervan moeten van staal of ander goedgekeurd materiaal zijn; beperkt gebruik van flexibele leidingen is echter toegestaan op plaatsen waar deze naar het oordeel van de Administratie noodzakelijk zijn. Zulke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen moeten van goedgekeurd brandbestendig materiaal van voldoende sterkte zijn en hun constructie moet ten genoegen van de Administratie zijn. Voor afsluiters die op brandstofolietanks zijn gemonteerd en die onder statische druk staan, kan staal of gietijzer met bolvormig grafiet worden geaccepteerd. Gewone gietijzeren afsluiters mogen evenwel worden gebruikt bij leidingsystemen waarbij de ontwerpdruk lager is dan 7 bar en de ontwerptemperatuur lager is dan 60 °C.
2.2.5.2 Alle uitwendig aangebrachte hogedruk-brandstoftoevoerleidingen tussen de hogedruk-brandstofpompen en de branstofinjectoren moeten worden beschermd door middel van een ommanteling waarin brandstof die als gevolg van een defecte hogedrukleiding weglekt, kan worden opgevangen. De ommanteling vormt één geheel en bestaat uit een buitenleiding waarin de hogedruk-brandstofleiding is aangebracht. De ommanteling moet worden voorzien van een systeem voor het opvangen van gelekte brandstof en er moeten voorzieningen worden aangebracht opdat er een alarm in werking treedt bij defecten aan een brandstofleiding.
2.2.5.3 Brandstofolieleidingen mogen niet worden gemonteerd rechtstreeks boven of in de nabijheid van voorzieningen die hitte afgeven, zoals ketels, stoomleidingen, uitlaatspruitstukken, geluiddempers of andere uitrusting die in overeenstemming met paragraaf 2.2.6 moeten worden geïsoleerd. Voor zover praktisch uitvoerbaar moeten brandstofolieleidingen ver uit de buurt van hete oppervlakken, elektrische installaties en andere ontstekingsbronnen worden aangebracht en moeten zij worden afgeschermd of anderszins op passende wijze worden beschermd om het sproeien of lekken van olie op de ontstekingsbronnen te voorkomen. Het aantal koppelingen in zulke leidingstelsels moet tot een minimum worden beperkt.
2.2.5.4 Bij het ontwerp van onderdelen van een dieselmotor-brandstofsysteem moet rekening worden gehouden met de maximumpiekdruk die heerst tijdens de werking ervan, met inbegrip van hogedrukpulsen die worden opgewekt en door de werking van brandstofinjectiepompen in de brandstoftoevoer- en lekleidingen worden teruggevoerd. Bij de constructie van aansluitingen binnen de brandstoftoevoer- en lekleidingen moet ervoor worden gezorgd dat lekkages van onder druk staande olie tijdens de werking en na het onderhoud ervan, wordt voorkomen.
2.2.5.5 Bij installaties met meerdere motoren die uit dezelfde brandstofbron worden gevoed, moeten de brandstoftoevoer- en lekleidingen naar de afzonderlijke motoren worden geïsoleerd. Het isolatiemiddel mag de werking van de andere motoren niet beïnvloeden en moet kunnen worden bediend vanuit een positie die door brand bij een van de motoren niet ontoegankelijk wordt gemaakt.
2.2.5.6 In het geval dat de Administratie het vervoer van olie en brandbare vloeistoffen door ruimten voor accommodatie en dienstruimten toestaat, moeten de leidingen die de olie of brandbare vloeistoffen vervoeren, bestaan uit materiaal dat uit oogpunt van brandgevaar door de Administratie is goedgekeurd.
2.2.6 Beveiliging van oppervlakken met een hoge temperatuur
2.2.6.1 Oppervlakken met een temperatuur hoger dan 220 °C die in geval van een defect aan het brandstofsysteem met brandstof in aanraking kunnen komen, moeten deugdelijk worden geïsoleerd.
2.2.6.2 Er moeten maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat olie onder druk uit een pomp, filter of verwarmingsinstallatie met hete oppervlakken in aanraking komt.
2.3 Inrichtingen voor smeerolie
2.3.1 De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie in smeeroliesystemen onder druk moeten zodanig zijn, dat de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen is verzekerd. Inrichtingen aangebracht in machineruimten van categorie A en, waar mogelijk, in andere machineruimten, moeten ten minste voldoen aan het bepaalde in de paragrafen 2.2.1, 2.2.3.3, 2.2.3.4, 2.2.3.5, 2.2.4, 2.2.5.1, 2.2.5.3 en 2.2.6, met dien verstande:
.1 dat dit het gebruik van kijkglazen in de smeerolieleidingen niet uitsluit, mits door middel van een proef wordt aangetoond dat zij voldoende brandbestendig zijn; en
.2 dat peilpijpen in machineruimten kunnen worden toegelaten; aan de eisen van de paragrafen 2.2.3.5.1.1 en 2.2.3.5.1.3 behoeft niet te worden voldaan, mits de peilpijpen zijn voorzien van doelmatige afsluitmiddelen.
2.3.2 De bepalingen van paragraaf 2.2.3.4 zijn eveneens van toepassing op smeerolietanks, behoudens die welke een capaciteit hebben van minder dan 500 l, op opslagtanks waarvan de afsluiters bij normale werking van het schip gesloten zijn, of wanneer vast staat dat een onbedoelde werking van een snelsluitklep van de smeerolietank de veilige werking van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en wezenlijke hulpmachines in gevaar zou brengen.
2.4 Inrichtingen voor andere ontvlambare oliën
De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van andere ontvlambare oliën die onder druk worden gebruikt in systemen voor het overbrengen van vermogens-, bedienings-, bekrachtigings-, en verwarmingssystemen moeten zodanig zijn dat de veiligheid van het schip en de personen aan boord verzekerd is. Onder hydraulische kleppen en cilinders moeten deugdelijke inrichtingen voor het opvangen van gelekte olie worden aangebracht. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan de bepalingen van de paragrafen 2.2.3.3, 2.2.3.5, 2.2.5.3.en 2.2.6 en ten aanzien van sterkte en constructie aan de bepalingen van paragraaf 2.2.4 en 2.2.5.1.
2.5 Inrichtingen voor brandstofolie in machineruimten die periodiek zonder toezicht zijn
Naast de vereisten vervat in de paragrafen 2.1 tot en met 2.4, moeten brandstofolie- en smeeroliesystemen in machineruimten die periodiek zonder toezicht zijn, voldoen aan de volgende bepalingen:
.1 wanneer brandstofoliedagtanks automatisch of met behulp van afstandbediening worden gevuld, moeten middelen zijn aangebracht ter voorkoming van lekken door overvulling. Ook andere apparatuur waarin brandbare vloeistoffen automatisch worden verwerkt, (zoals brandstofolie-reinigers) die, waar mogelijk, moeten zijn opgesteld in een speciale, voor reinigers en bijbehorende verwarmingsvoorzieningen gereserveerde ruimte, moet zijn uitgerust met voorzieningen ter voorkoming van lekken door overvulling; en
.2 wanneer brandstofoliedagtanks of bezinktanks zijn uitgerust met verwarmingsvoorzieningen, moet er een hoge-temperatuuralarm zijn aangebracht als het vlampunt van de brandstofolie kan worden overschreden.
3. Voorzieningen voor gasvormige brandstof voor huishoudelijke doeleinden
Systemen voor gasvormige brandstof voor huishoudelijke doeleinden moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Opslag van gasflessen moet geschieden op het open dek of in een goed geventileerde ruimte die uitsluitend een uitgang naar het open dek biedt.
4. Diversen op het gebied van ontstekingsbronnen en ontbrandingscapaciteit
4.1 Elektrische kachels
Elektrische kachels moeten, indien gebruikt, vast zijn bevestigd en moeten zo zijn ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze kachels mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat kleding, gordijnen of andere soortgelijke materialen kan doen schroeien of in brand doen geraken door de door het element geleverde hitte.
4.2 Afvalbakken
Afvalbakken moeten zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben.
4.3 Beveiliging van isolatie-oppervlakken tegen oliedoordringing
In ruimten waarin olieproducten zouden kunnen doordringen, moet het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar zijn voor olie of oliedampen.
4.4 Onderste laag van dekbedekkingen
De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations of indien toegepast op hutbalkons van passagiersschepen gebouwd op of na 1 juli 2008 moet van goedgekeurd materiaal zijn dat niet gemakkelijk kan ontbranden; dit moet worden aangetoond in overeenstemming met de Code inzake beproevingsprocedures voor brandwerendheid.
5. Ladinggedeelten van tankschepen
5.1 Scheiding van ladingolietanks
5.1.1 Ladingpompkamers, ladingtanks, sloptanks en kofferdammen moeten vóór de machineruimten gelegen zijn. Brandstofolietanks behoeven echter niet vóór machineruimten gelegen te zijn. Ladingtanks en sloptanks moeten van machineruimten zijn afgescheiden door kofferdammen, ladingpompkamers, brandstofolietanks of ballasttanks. Pompkamers die pompen en hun toebehoren bevatten voor het ballasten van ruimten die naast ladingtanks en sloptanks zijn gelegen, alsmede pompen voor het verpompen van brandstofolie, zijn, binnen de samenhang van dit voorschrift, gelijkwaardig aan een ladingpompkamer, mits dergelijke pompkamers aan dezelfde veiligheidseisen voldoen als die welke zijn voorgeschreven voor ladingpompkamers. Pompkamers die uitsluitend bedoeld zijn voor het verpompen van ballast of brandstofolie behoeven evenwel niet aan de vereisten van voorschrift 10.9 te voldoen. Het onderste deel van de ladingpompkamers mag als een nis in de machineruimten van categorie A zijn uitgevoerd ten behoeve van de opstelling van pompen, mits de bovenzijde van de nis op een hoogte van niet meer dan een derde van de holte naar de mal boven de kiellijn is gelegen, met dien verstande dat, indien kan worden aangetoond dat vanwege de toegankelijkheid en de goede legging van de pijpen deze afstand bezwaarlijk is, de Administratie voor een schip met een draagvermogen van niet meer dan 25.000 ton een grotere hoogte van bedoelde nis kan toestaan, doch niet groter dan de helft van de holte naar de mal.
5.1.2 Hoofdcontrolestations voor lading, controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten (met uitzondering van vrijstaande bergplaatsen voor gerei voor ladingbehandeling) moeten zijn gelegen achter alle ladingtanks, sloptanks en ruimten die lading- of sloptanks afscheiden van machineruimten, doch niet noodzakelijkerwijs achter brandstofolietanks en waterballasttanks, maar zij moeten zodanig zijn aangebracht, dat falen van een dek of een schot er niet toe kan leiden dat gassen of dampen uit de ladingtanks binnendringen in een ruimte voor accommodatie, hoofdcontrolestations voor lading, controlestations of dienstruimten. Met een nis, mits in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf 5.1.1, behoeft geen rekening te worden gehouden bij het vaststellen van de plaats van deze ruimten.
5.1.3 Echter, indien zulks noodzakelijk is, kan de Administratie toestaan dat hoofdcontrolestations voor lading, controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn gelegen vóór ladingtanks, sloptanks en ruimten die de lading- en sloptanks afscheiden van de machineruimten, doch niet noodzakelijkerwijs voor brandstoftanks of waterballasttanks. Andere machineruimten dan die van categorie A mogen zijn gelegen vóór ladingtanks en sloptanks, mits zij van de ladingtanks en de sloptanks zijn afgescheiden door kofferdammen, ladingpompkamers, brandstofolietanks of waterballasttanks, en zijn voorzien van ten minste één draagbaar brandblusapparaat. In gevallen waarin zij verbrandingsmotoren of gasturbines bevatten, moet in aanvulling op draagbare brandblussapparaten worden voorzien in een goedgekeurd schuimblusapparaat met een capaciteit van ten minste 45 l of met gelijkwaardige capaciteit. Indien het gebruik van een half-draagbaar brandblusapparaat niet praktisch uitvoerbaar is, mag dit brandblusapparaat worden vervangen door twee aanvullende draagbare brandblusapparaten. Ruimten voor accommodatie, hoofdcontrolestations voor lading, controlestations en dienstruimten moeten zodanig zijn ingericht, dat falen van een dek of schot er niet toe kan leiden dat gassen of dampen uit de ladingtanks binnendringen in deze ruimten. Bovendien kan de Administratie toestaan, indien zulks noodzakelijk is voor de veiligheid of manoeuvreerbaarheid van het schip, dat de machineruimten waarin verbrandingsmotoren of gasturbines staan opgesteld, niet zijnde hoofdvoortstuwingswerktuigen met een vermogen groter dan 375 kW, vóór het ladinggedeelte zijn gelegen, mits de voorzieningen in overeenstemming zijn met het bepaalde in deze paragraaf.
5.1.4 Alleen voor combination carriers:
.1 De sloptanks moeten zijn omgeven door kofferdammen, behalve waar de scheidingswanden van de sloptanks deel uitmaken van de huid, het hoofddek, het ladingpompkamerschot of een schot van een brandstofolietank. Deze kofferdammen mogen niet in open verbinding staan met een dubbele bodem, pijpentunnel, pompkamer of andere omsloten ruimte; zij mogen ook niet worden gebruikt voor lading of ballast of worden aangesloten op pijpenstelsels naar olielading of ballast. Er moeten voorzieningen zijn aangebracht om de kofferdammen met water te kunnen vullen en leeg te pompen. Indien het ladingpompkamerschot de begrenzing vormt van de sloptank, mag de pompkamer niet in open verbinding staan met de dubbele bodem, pijpentunnel of andere omsloten ruimte; openingen voorzien van deksels met bouten op gasdichte steek zijn echter toegestaan.
.2 Voorzieningen moeten zijn aangebracht om in de pijpverbindingen tussen de pompkamer en de sloptanks als aangegeven in paragraaf 5.1.4.1 een afscheiding aan te brengen. Deze voorziening moet bestaan uit een afsluiter, gevolgd door een brilflens of een wegneembaar pijpstuk met bijbehorende blindflenzen. Deze voorziening moet direct grenzend aan de sloptanks zijn aangebracht, maar mag, waar dit niet uitvoerbaar of praktisch is, in de pompkamer direct achter de doorvoering door het schot zijn aangebracht. Een vast aangebracht afzonderlijk pomp- en pijpleidingsysteem, dat een verzamelleiding omvat, voorzien van een afsluiter en een blindflens, moet zijn aangebracht om de inhoud van de sloptanks direct via het open dek aan de havenontvangstinstallatie te kunnen afgeven, wanneer het schip wordt gebruikt voor het vervoer van stortlading. Wanneer het pompsysteem wordt gebruikt voor slopoverbrenging bij het vervoer van stortlading, mag dit systeem geen verbinding met andere systemen hebben. Afscheiding van andere systemen door middel van een wegneembaar pijpstuk mag worden geaccepteerd;
.3 Luikhoofden en tankwasopeningen op de sloptanks zijn alleen toegestaan op het open dek en moeten zijn voorzien van afsluitmiddelen. Behalve wanneer deze bestaan uit platen met bouten op waterdichte steek, moeten deze afsluitmiddelen kunnen worden afgesloten met sloten waarvan de sleutels zich onder het beheer van de verantwoordelijke scheepsofficier moeten bevinden; en
.4 Indien ladingzijtanks zijn aangebracht, moeten de ladingolieleidingen die onder het dek zijn gelegen, in deze tanks zijn aangebracht. De Administratie kan echter toestaan dat ladingolieleidingen in een speciale koker zijn aangebracht, waarvan de uitvoering te haren genoegen moet zijn en welke naar haar oordeel afdoende moet kunnen worden schoongemaakt en geventileerd. Indien geen ladingzijtanks zijn aangebracht, moeten de ladingolieleidingen die onder het dek zijn gelegen, in speciale kokers zijn aangebracht.
5.1.5 Indien wordt aangetoond dat het aanbrengen van een stuurhuis boven het ladinggedeelte noodzakelijk is, mag dit stuurhuis uitsluitend zijn bestemd voor navigatiedoeleinden en moet het van het ladingdek zijn gescheiden door een open ruimte met een hoogte van ten minste 2 m. Bovendien moet de brandbeveiliging van een dergelijk stuurhuis zijn uitgevoerd zoals voor controlestations is voorgeschreven in voorschrift 9.2.4.2, en in andere op tankschepen van toepassing zijnde bepalingen.
5.1.6 Voorzieningen moeten zijn aangebracht om eventueel aan dek vloeiende olie op een afstand van ruimten voor accommodatie en van dienstruimten te houden. Een dergelijke voorziening kan bestaan uit een vast aangebrachte, van boord tot boord lopende, stalen rand van ten minste 300 mm. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan voorzieningen die samenhangen met laden of lossen over het achterschip.
5.2 Beperkingen ten aanzien van openingen in scheidingswanden
5.2.1 Tenzij toegestaan op grond van paragraaf 5.2.2 hieronder, mogen toegangsdeuren, luchtinlaten en openingen tot ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en machineruimten niet tegenover het ladinggedeelte zijn gelegen. Dergelijke voorzieningen moeten zijn aangebracht in het dwarsschot dat niet tegenover het ladinggedeelte is gelegen, dan wel in de buitenste begrenzing in de zijde van de bovenbouw of het dekhuis op een afstand van niet minder dan 4% van de lengte van het schip, doch niet minder dan 3 m, van het einde van de bovenbouw of het dekhuis dat tegenover het ladinggedeelte is gelegen. Deze afstand hoeft echter niet meer dan 5 m te bedragen.
5.2.2 De Administratie kan toestaan dat in begrenzingsschotten gelegen tegenover het ladinggedeelte of binnen de in paragraaf 5.2.1 aangegeven begrenzingen van 5 m, toegangsdeuren zijn aangebracht naar hoofdcontrolestations voor lading en dienstruimten als provisieruimten, bergplaatsen en bergkasten, mits deze noch direct, noch indirect toegang geven tot andere ruimten die zijn ingericht of dienst doen als ruimten voor accommodatie of controlestations, dan wel dienstruimten als kombuizen, pantry’s of werkplaatsen, of soortgelijke ruimten die ontstekingsbronnen voor dampen bevatten. De begrenzingswanden van genoemde ruimten moeten zijn geïsoleerd volgens de norm voor klasse „A-60”, met uitzondering van de begrenzingswand tegenover het ladinggedeelte. Binnen de in paragraaf 5.2.1 aangegeven begrenzingen mogen platen met bouten voor het verplaatsen van machineonderdelen zijn aangebracht. Deuren naar en ramen in het stuurhuis mogen binnen de in paragraaf 5.2.1 aangegeven begrenzingen zijn gelegen, mits zij zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, dat het stuurhuis snel en doelmatig gas- en dampdicht kan worden afgesloten.
5.2.3 Ramen en patrijspoorten aangebracht in wanden tegenover het ladinggedeelte en in de zijden van bovenbouwen en dekhuizen binnen de in paragraaf 5.2.1 aangegeven begrenzingen moeten van het vaste, niet-openende type zijn. Deze ramen en patrijspoorten, behalve ramen in het stuurhuis, moeten worden geconstrueerd volgens de norm voor klasse „A-60” behoudens dat de norm voor klasse „A-0” aanvaardbaar is voor ramen en patrijspoorten buiten de in voorschrift 9.2.4.2.5 vermelde limiet.
5.2.4 Wanneer vanuit een leidingtunnel een permanente toegang is tot de hoofdpompkamer, moet een waterdichte deur worden geïnstalleerd die voldoet aan de vereisten van voorschrift II-1/13-1.2 en aan het onderstaande:
.1 de waterdichte deur moet niet alleen vanaf de brug kunnen worden bediend, maar ook handmatig kunnen worden gesloten vanaf een positie buiten de ingang van de hoofdpompkamer; en
.2 de waterdichte deur moet gesloten blijven tijdens normaal bedrijf van het schip, tenzij toegang moet worden verkregen tot de leidingtunnel.
5.2.5 In schotten en dekken die ladingpompkamers van andere ruimten scheiden, mogen blijvende, goedgekeurde, gasdichte verlichtingsarmaturen worden toegestaan voor verlichting ten behoeve van de ladingpompkamers, mits deze sterk genoeg zijn en de brandwerendheid en gasdichtheid van het schot of dek gehandhaafd blijven.
5.2.6 De ventilatie-inlaat- en -uitlaatopeningen en andere openingen in de begrenzingswanden van het dekhuis en de bovenbouw moeten zodanig zijn aangebracht dat hiermee de aanvulling op het bepaalde in paragraaf 5.3 en voorschrift 11.6 wordt gevormd. Dergelijke ventilatie-openingen moeten, met name voor machineruimten, zo ver mogelijk naar achteren worden aangebracht. Wanneer een schip is uitgerust voor laden of lossen over het achterschip moet daarmee, in dit verband, naar behoren rekening worden gehouden. Bronnen van ontsteking, zoals elektrische uitrusting, moeten zodanig zijn opgesteld dat gevaar voor ontploffing wordt voorkomen.
5.3 Ontluchting van ladingtanks
5.3.1 Algemene vereisten
De ontluchtingssystemen voor ladingtanks moeten volledig gescheiden zijn van de luchtkanalen van andere ruimten in het schip. De voorzieningen en de plaatsing van openingen in het ladingtankdek van waaruit ontvlambare dampen kunnen uitstromen, moeten zodanig zijn dat er zo min mogelijk kans bestaat dat ontvlambare dampen kunnen binnenstromen in omsloten ruimten die een ontstekingsbron bevatten of zich ophopen in de buurt van machines of uitrusting aan dek, waardoor een risico voor ontsteking kan ontstaan. Overeenkomstig dit algemene beginsel worden de in paragraaf 5.3.2 tot en met 5.3.5 en in voorschrift 11.6 vervatte maatstaven gehanteerd.
5.3.2 Ontluchtingsvoorzieningen
5.3.2.1 De ontluchtingsvoorzieningen in iedere ladingtank mogen onafhankelijk zijn of mogen worden gecombineerd met die van andere ladingtanks en mogen een onderdeel zijn van het pijpleidingsysteem van de inert-gasinstallatie.
5.3.2.2 Wanneer de voorzieningen zijn gecombineerd met die voor andere ladingtanks, moeten hetzij afsluiters, hetzij andere aanvaardbare middelen zijn aangebracht om iedere ladingtank te kunnen isoleren. Wanneer afsluiters zijn aangebracht, moeten deze zijn voorzien van een blokkeerinrichting met een slot waarvan de sleutel in beheer is bij de verantwoordelijke officier. Duidelijke standaardaanwijzingslampjes voor de operationele toestand van de kleppen of andere acceptabele middelen moeten aanwezig zijn. Indien tanks zijn afgesloten, moet gewaarborgd zijn dat de desbetreffende afsluitkleppen worden geopend voordat wordt begonnen met het laden, ballasten of lossen van deze tanks. Bij iedere vorm van afsluiting moet de stroming die wordt veroorzaakt door temperatuurschommelingen in een ladingtank overeenkomstig voorschrift 11.6.1.1, steeds mogelijk blijven. Bij tankschepen gebouwd op of na 1 januari 2017 moet bij iedere vorm van isolatie de doorstroming van grote hoeveelheden damp, lucht of inertgasmengsels gedurende het laden en ballasten of gedurende het legen in overeenstemming met voorschrift 11.6.1.2 mogelijk blijven.
5.3.2.3 Indien een ladingtank of groep ladingtanks die van een algemeen ontluchtingssysteem is afgesloten, moet worden geladen en geballast of gelost, moet deze ladingtank of groep ladingtanks worden voorzien van een beveiliging tegen overdruk of onderdruk als vereist in voorschrift 11.6.3.2.
5.3.2.4 De ontluchtingsvoorzieningen moeten zijn aangesloten op de bovenzijde van iedere ladingtank en moeten onder alle normale omstandigheden van trim en slagzij van het schip automatisch vloeistof kunnen afvoeren naar de ladingtanks. Waar dit laatste eventueel niet mogelijk is, moet een vast aangebrachte afvoer aanwezig zijn tussen de ontluchtingsleiding en de ladingtank.
5.3.3 Veiligheidsvoorzieningen in ontluchtingssystemen
In het ontluchtingssysteem moeten voorzieningen zijn opgenomen ter voorkoming van vlamdoorslag naar een ladingtank. Deze voorzieningen moeten qua ontwerp, beproeving en plaatsing voldoen aan de door de Organisatie gestelde eisen waarin ten minste de door de Organisatie aangenomen normen moeten zijn opgenomen. Ullage-openingen mogen niet worden gebruikt voor drukverdeling. Deze moeten zijn voorzien van zelfsluitende en strak afsluitende deksels. In deze openingen mogen geen vlamstoppers en -schermen worden aangebracht.
5.3.4 Ontluchtingsuitlaten voor ladingverwerking en ballasten
5.3.4.1 De krachtens voorschrift 11.6.1.2 voor het laden, lossen en ballasten vereiste ontluchtingsuitlaten moeten:
.1.1 de vrije uitstroming van dampmengsels mogelijk maken; of
.1.2 de mogelijkheid bieden de afvoer van dampmengsels te smoren teneinde een snelheid van minder dan 30 m/s te verkrijgen;
.2 zodanig zijn aangebracht dat het dampmengsel in verticale opwaartse richting wordt afgevoerd;
.3 wanneer de afvoer plaatsvindt door vrije uitstroming van dampmengsels, zodanig zijn dat de uitlaat zich bevindt op een hoogte van niet minder dan 6 m boven het ladingtankdek of, boven een loopbrug indien de uitlaat op een afstand van minder dan 4 m vanaf die loopbrug is gelegen; tevens moet deze uitlaat zich bevinden op een afstand van ten minste 10 m, horizontaal gemeten, vanaf de dichtstbijzijnde luchtinlaten en openingen naar omsloten ruimten die een bron van ontsteking bevatten en vanaf werktuigen aan dek, waaronder openingen in ankerspillen en kettingkisten, en uitrusting die een risico voor ontsteking kan opleveren; en
.4 wanneer de afvoer plaatsvindt met hoge snelheid, zich bevinden op een hoogte van niet minder dan 2 m boven het ladingtankdek en op een afstand van minder dan 10 m, horizontaal gemeten, vanaf de dichtstbijzijnde luchtinlaten en openingen naar omsloten ruimten die een bron van ontsteking bevatten en vanaf machines, waaronder openingen in ankerspillen en kettingkisten, en uitrusting aan dek die een risico voor ontsteking kan opleveren. Deze uitlaten moeten zijn voorzien van middelen van een goedgekeurd type om een hoge uitstroomsnelheid te verzekeren.
5.3.4.2 De voorzieningen voor het ontluchten van dampen die gedurende het laden en ballasten uit de ladingtanks worden verplaatst, moeten voldoen aan de vereisten van paragraaf 5.3 en voorschrift 11.6 en moeten bestaan uit een of meerdere stijgmasten, of uit een aantal ontluchtingsvoorzieningen die een hoge uitstroomsnelheid verzekeren. Voor deze ontluchting mag de hoofdaanvoerleiding voor inert gas worden gebruikt.
5.3.5 Isolatie van sloptanks op combination carriers
Op combination carriers moeten de voorzieningen om sloptanks met olie of olieresten af te sluiten van andere ladingtanks, bestaan uit blinde flenzen die te allen tijde op hun plaats blijven wanneer er andere lading dan vloeibare lading als bedoeld in voorschrift 1.6.1 wordt vervoerd.
5.4 Ventilatie
5.4.1 Ventilatiesystemen in ladingpompkamers
Ladingpompkamers moeten mechanisch worden geventileerd en de uitlaten van de afzuigventilatoren moeten naar een veilige plaats op het open dek worden geleid. De ventilatie van deze pompkamers moet voldoende capaciteit hebben om de mogelijkheid van opeenhoping van ontvlambare dampen tot een minimum te beperken. Het aantal luchtwisselingen moet ten minste 20 per uur bedragen, gebaseerd op het brutovolume van de ruimte. De ventilatiekokers moeten zo zijn aangelegd dat de gehele ruimte doeltreffend wordt geventileerd. De ventilatie moet plaatsvinden door afzuiging, waarbij gebruik wordt gemaakt van vonkvrije ventilatoren.
5.4.2 Ventilatiesystemen op combination carriers
Op combination carriers moeten laadruimten en alle aan laadruimten grenzende ingesloten ruimten mechanisch kunnen worden geventileerd. De mechanische ventilatie kan plaatsvinden met behulp van draagbare ventilatoren. In ladingpompkamers en pijpentunnels en kofferdammen als bedoel in paragraaf 5.1.4 die grenzen aan sloptanks, moet een goedgekeurde vast aangebrachte gasmeldingsinstallatie aanwezig zijn die waarschuwt voor de aanwezigheid van ontvlambare dampen. Er moeten deugdelijke voorzieningen zijn aangebracht om de meting van de hoeveelheid ontvlambare dampen in alle andere ruimten binnen het ladinggedeelte mogelijk te maken. Het moet mogelijk zijn zulke metingen te verrichten vanaf het open dek of gemakkelijk toegankelijke plaatsen.
5.5 Inert-gasinstallaties
5.5.1 Toepassing
5.5.1.1 Voor tankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer gebouwd op of na 1 juli 2002 maar vóór 1 januari 2016, moeten de ladingtanks worden beschermd door middel van een vast aangebrachte inert-gasinstallatie overeenkomstig de vereisten vervat in de Code inzake brandveiligheidssystemen, zoals aangenomen bij resolutie MSC.98(73), met dien verstande dat de Administratie andere gelijkwaardige systemen of voorzieningen kan aanvaarden, zoals omschreven in paragraaf 5.5.4.
5.5.1.2 Voor tankschepen met een draagvermogen van 8.000 ton of meer gebouwd op of na 1 januari 2016 die de in voorschrift 1.6.1 of 1.6.2 omschreven ladingen vervoeren, moeten de ladingtanks worden beschermd door middel van een vast aangebrachte inert-gasinstallatie, overeenkomstig de vereisten vervat in de Code inzake brandveiligheidssystemen, met dien verstande dat de Administratie andere gelijkwaardige systemen of voorzieningen kan aanvaarden, zoals omschreven in paragraaf 5.5.4.
5.5.1.3 Tankschepen waarop voor het schoonmaken van de ladingtanks gebruik wordt gemaakt van de methode van wassen met ruwe olie, moeten zijn voorzien van een inert-gasinstallatie die voldoet aan de Code inzake brandveiligheidssystemen en met vast aangebrachte tankwasmachines. Inert-gasinstallaties aangebracht op tankschepen die gebouwd zijn op of na 1 juli 2002 maar vóór 1 januari 2016 moeten evenwel voldoen aan de Code inzake brandveiligheidssystemen, zoals aangenomen bij resolutie MSC.98(73).
5.5.1.4 Tankschepen die moeten zijn voorzien van inert-gasinstallaties moeten voldoen aan de volgende bepalingen:
.1 de ruimten van dubbele scheepswanden moeten zijn voorzien van geschikte verbindingen voor de toevoer van inert gas;
.2 wanneer ruimten van de scheepswand verbonden zijn met een vast aangebracht systeem voor de distributie van inert gas, moeten middelen aanwezig zijn om te beletten dat koolwaterstofgassen uit de ladingtanks via het systeem de ruimten van de dubbele scheepswand binnendringen; en
.3 wanneer dergelijke ruimten niet vast met een systeem voor de distributie van inert gas zijn verbonden, moeten geschikte middelen aanwezig zijn om aansluiting op de hoofdaanvoerleiding voor inert gas mogelijk te maken.
5.5.2 Inert-gasinstallaties van chemicaliëntankschepen en gastankschepen
5.5.2.1 De vereisten voor inert-gasinstallaties vervat in de Code inzake brandveiligheidssystemen behoeven niet te worden toegepast op chemicaliëntankschepen gebouwd vóór 1 januari 2016, met inbegrip van die gebouwd vóór 1 juli 2012, en alle gastankschepen:
.1 wanneer deze de in voorschrift 1.6.1 bedoelde lading vervoeren, mits zij voldoen aan de door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde richtlijnen vastgestelde vereisten voor inert-gasinstallaties op chemicaliëntankschepen; of
.2 wanneer deze ontvlambare lading vervoeren, anders dan ruwe olie of petroleumproducten, zoals de in de hoofdstukken 17 en 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk vermelde ladingen, mits de capaciteit van de tanks die voor het vervoer ervan worden gebruikt niet groter is dan 3000 m3 en de afzonderlijke spuitcapaciteiten van de tankwasmachines niet groter zijn dan 17,5 m3/u en de totale gecombineerde capaciteit van het aantal in gebruik zijnde machines in een ladingtank op geen enkel moment meer bedraagt dan 110 m3/u.
5.5.3 Algemene vereisten voor inert-gasinstallaties
5.5.3.1 De inert-gasinstallatie moet in staat zijn lege tanks inert te maken, van gassen te ontdoen en gasvrij te maken en het zuurstofgehalte van de atmosfeer in de ladingtanks op het vereiste niveau te handhaven.
5.5.3.2 Tankschepen die zijn voorzien van een vast aangebrachte inert-gasinstallatie moeten beschikken over een ullage-systeem van het gesloten type.
5.5.4 Vereisten voor gelijkwaardige systemen
5.5.4.1 De Administratie kan, na bestudering van de op het schip aanwezige voorzieningen en uitrusting, andere vast aangebrachte installaties aanvaarden, overeenkomstig voorschrift I/5 en paragraaf 5.5.4.3.
5.5.4.2 Voor tankschepen met een draagvermogen van 8.000 ton of meer, maar minder dan 20.000 ton, gebouwd op of na 1 januari 2016, kan de Administratie in plaats van vast aangebrachte installaties zoals vereist in paragraaf 5.5.4.1 andere gelijkwaardige voorzieningen of beschermingsmiddelen aanvaarden overeenkomstig voorschrift I/5 en paragraaf 5.5.4.3.
5.5.4.3 Gelijkwaardige systemen of voorzieningen moeten:
.1 in staat zijn gevaarlijke ophopingen van explosieve mengsels in onbeschadigde ladingtanks gedurende normaal bedrijf tijdens de gehele ballastreis en tijdens de noodzakelijke werkzaamheden in de tanks te voorkomen; en
.2 zodanig zijn ontworpen dat het gevaar van ontsteking door het ontstaan van statische elektriciteit vanuit de installatie zelf tot een minimum wordt beperkt.
5.6 Inert maken, uitdrijven van gas en gasvrij maken
5.6.1 De voorzieningen voor het uitdrijven van gassen en/of gasvrij maken, moeten zodanig zijn dat gevaren ten gevolge van de verspreiding van ontvlambare dampen in de atmosfeer en ten gevolge van ontvlambare mengsels in een ladingtank, tot een minimum worden beperkt.
5.6.2 De procedure voor het uitdrijven van gassen en/of gasvrij maken moet worden uitgevoerd in overeenstemming met voorschrift 16.3.2.
5.6.3 De in paragraaf 5.5.3.1 vereiste voorzieningen voor het inert maken, uitdrijven van gas en gasvrij maken van tanks moet ten genoegen van de Administratie zijn en tevens zodanig dat de opeenhoping van koolwaterstofdampen in zakken die worden gevormd door de inwendige constructiedelen in een tank tot een minimum wordt beperkt en dat:
.1 bij afzonderlijke ladingtanks de gasafvoerleiding, indien aanwezig, zo ver mogelijk van de toevoeropening voor inert gas of lucht verwijderd is en overeenstemt met paragraaf 5.3 en voorschrift 11.6. De inlaatopening van zulke gasafvoerleidingen kan zich hetzij op het niveau van het dek, hetzij op niet meer dan 1 m boven de bodem van de tank bevinden;
.2 de dwarsdoorsnede-oppervlakte van zo’n gasafvoerleiding als bedoeld in paragraaf 5.6.3.1 zodanig is dat een uitstroomsnelheid van ten minste 20 m/s kan worden gehandhaafd, wanneer in drie tanks - ongeacht welke - gelijktijdig inert gas wordt binnengevoerd. De afvoeren moeten tot minimaal 2 m boven het niveau van het dek doorlopen; en
.3 iedere gasafvoer als bedoeld in paragraaf 5.6.3.2 is uitgerust met passende afblindvoorzieningen.
5.7 Gasmeting en -detectie
5.7.1 Draagbaar instrument
Tankschepen moeten zijn voorzien van ten minste één draagbaar instrument voor het meten van zuurstof en één voor het meten van brandbare dampconcentraties, alsmede van voldoende reservedelen. Geschikte middelen moeten aanwezig zijn voor het kalibreren van deze instrumenten.
5.7.2 Voorzieningen voor gasmeting in ruimten van dubbele zijwanden en ruimten van dubbele bodems
5.7.2.1 Er moeten geschikte draagbare instrumenten aanwezig zijn voor het meten van zuurstof en van brandbare dampconcentraties in ruimten van dubbele zijwanden en in ruimten van dubbele bodems. Bij de keuze van deze instrumenten moet voldoende aandacht worden geschonken aan het gebruik daarvan in combinatie met de vast aangebrachte leidingsystemen voor het nemen van gasmonsters bedoeld in paragraaf 5.7.2.2.
5.7.2.2 Indien de atmosfeer in ruimten van dubbele zijwanden niet op betrouwbare wijze kan worden gemeten met gebruikmaking van flexibele slangen voor het nemen van gasmonsters, moeten deze ruimten zijn voorzien van permanente leidingen voor het nemen van gasmonsters. De opstelling van de leidingen voor het nemen van gasmonsters moet worden aangepast aan het ontwerp van deze ruimten.
5.7.2.3 De constructiematerialen en afmetingen van de leidingen voor het nemen van gasmonsters moeten zodanig zijn dat vernauwing wordt voorkomen. Indien plastic materialen worden gebruikt, moeten deze elektrisch geleidend zijn.
5.7.3 Voorzieningen voor vast aangebrachte koolwaterstofgasdetectiesystemen in ruimten van dubbele zijwanden en van dubbele bodems van olietankschepen
5.7.3.1 Naast de vereisten van de paragrafen 5.7.1 en 5.7.2 moeten olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton en meer, gebouwd op of na 1 januari 2012, worden voorzien van een vast aangebracht koolwaterstofgasdetectiesysteem dat voldoet aan de Code inzake brandveiligheidssystemen voor het meten van koolwaterstofgasconcentraties in alle ballasttanks en loze ruimten in ruimten van dubbele zijwanden en van dubbele bodems die grenzen aan de ladingtanks, met inbegrip van de voorpiektank en alle andere tanks en ruimten onder het schottendek die grenzen aan ladingtanks.
5.7.3.2 Olietankschepen die zijn uitgerust met permanent werkende inertsystemen voor dergelijke ruimten hoeven niet te worden voorzien van vast aangebrachte koolwaterstofgasdetectieapparatuur.
5.7.3.3 Niettegenstaande het bovenstaande hoeven ladingpompkamers waarop de bepalingen van paragraaf 5.10 van toepassing zijn, niet te voldoen aan de vereisten van deze paragraaf.
5.8 Luchttoevoer naar dubbele wanden en dubbele bodems
Dubbele wanden en dubbele bodems moeten zijn voorzien van geschikte aansluitingen voor de toevoer van lucht.
5.9 Beveiliging van ladinggedeelten
In de omgeving van leiding- en slangaansluitingen onder het spruitstukgedeelte moeten opvangbakken aanwezig zijn voor het verzamelen van ladingresiduen in ladingpijpen en –slangen. Ladingslangen en tankwasslangen moet over elektrische continuïteit beschikken over de gehele lengte ervan, met inbegrip van de koppelingen en flenzen (behoudens walaansluitingen) en moeten ten behoeve van de afvoer van elektrostatische ladingen geaard zijn.
5.10 Beveiliging van ladingpompkamers
5.10.1 In tankschepen:
.1 moeten ladingpompen, ballastpompen en strippompen die in ladingpompkamers zijn geplaatst en worden aangedreven door assen die door pompkamerschotten worden gevoerd, worden uitgerust met temperatuursensoren ten behoeve van de lagers, pompbehuizingen en aspakkingbussen in de schotten. In de ladingcontrolekamer of het pompcontrolestation moet automatisch een doorlopend hoorbaar en zichtbaar alarmsignaal afgaan;
.2 moet de verlichting in de ladingpompkamers, behoudens de noodverlichting, worden gekoppeld aan de ventilatie, zodanig dat de ventilatie in werking treedt zodra het licht wordt aangezet. Een defect aan het ventilatiesysteem mag niet tot gevolg hebben dat de verlichting uitgaat;
.3 moet een systeem worden aangebracht voor permanente bewaking van de concentratie koolwaterstofgassen. Bemonsteringspunten of detectorkoppen moeten op geschikte plaatsen worden aangebracht zodat mogelijk gevaarlijke lekkages vlug worden gedetecteerd. Wanneer de concentratie koolwaterstofgassen een van tevoren vastgesteld niveau bereikt, dat niet hoger mag zijn dan 10% van de onderste ontvlammingsgrens, moet in de pompkamer, motorcontrolekamer, ladingcontrolekamer en op de navigatiebrug automatisch een doorlopend hoorbaar en zichtbaar alarmsignaal afgaan om het personeel voor mogelijk gevaar te waarschuwen; en
.4 moeten alle pompkamers zijn voorzien van bewakingsvoorzieningen voor het lenswaterniveau, tezamen met op geschikte plaatsen aangebrachte alarminstallaties.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0