wetzoeker

Voorschrift 35-1 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

MACHINE-INSTALLATIES

1 Dit voorschrift is van toepassing op schepen gebouwd op of na 1 januari 2009.

2 Passagiersschepen en vrachtschepen

2.1 Er moet een doeltreffende lenspompinrichting zijn aangebracht die onder alle omstandigheden die in de praktijk kunnen voorkomen, elke waterdichte afdeling, anders dan een ruimte die blijvend is bestemd voor het vervoer van drinkwater, waterballast, brandstofolie of vloeibare lading en waarvoor een andere doeltreffende pompinrichting is aangebracht, lens kan pompen. Er moeten doeltreffende middelen zijn waarmee water uit koelruimen kan worden verwijderd.

2.2 Sanitaire pompen, ballastpompen en algemene dienstpompen mogen worden aanvaard als onafhankelijke werktuiglijke lenspompen mits zij zijn voorzien van de nodige aansluitingen op de lensinrichting.

2.3 Alle lenspijpen in of onder kolenruimen of brandstofolietanks of in ketel- of machineruimten, met inbegrip van ruimten waarin oliebezinktanks of brandstofoliepompen aanwezig zijn, moeten zijn vervaardigd van staal of ander geschikt materiaal.

2.4 De inrichting van het lens- en ballastpompsysteem moet zodanig zijn, dat het uitgesloten is dat water van de zee en uit waterballastruimten naar laadruimten en machineruimten of uit de ene afdeling naar de andere kan stromen. Voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat een dieptetank, met aansluiting op de lens- en ballastleidingen, onbedoeld met zeewater volloopt wanneer zij lading bevat óf door een lenspomp wordt leeggepompt wanneer zij met waterballast is gevuld.

2.5 Alle verdeelkasten en met de hand bediende afsluiters die in verbinding staan met de lensinrichtingen, moeten zodanig zijn opgesteld dat zij onder normale omstandigheden bereikbaar zijn.

2.6 Er moeten voorzieningen zijn voor de waterafvoer van omsloten laadruimten gelegen op het schottendek van een passagiersschip en op het vrijboorddek van een vrachtschip, met dien verstande dat de Administratie kan toestaan dat voor het aanbrengen van middelen voor waterafvoer in een bepaalde afdeling van een schip of een type schepen vrijstelling wordt verleend, indien te haren genoegen wordt aangetoond dat de veiligheid van het schip, gezien de grootte of de indeling van die ruimten, daardoor niet wordt aangetast. Voor schepen waarop de bepalingen van voorschrift II-1/1.1.1.1 van toepassing zijn, zie voorschrift II-2/20.6.1.4 voor de bijzondere gevaren die verbonden zijn met het verlies aan stabiliteit wanneer de schepen zijn uitgerust met een vast aangebrachte brandblusinstallatie die water onder druk sproeit.

2.6.1 Wanneer het vrijboord tot aan het schottendek, respectievelijk het vrijboorddek, zodanig is dat de dekrand wordt ondergedompeld wanneer het schip een helling heeft van meer dan 5 graden, moet het water worden afgevoerd door middel van een toereikend aantal spuipijpen van voldoende afmetingen die rechtstreeks overboord spuien; zij moeten zijn aangebracht in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 15 in geval van een passagiersschip, en de voorschriften voor spuipijpen, inlaat- en afvoerpijpen van het van kracht zijnde Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen in geval van een vrachtschip.

2.6.2 Wanneer het vrijboord zodanig is dat de rand van het schottendek, respectievelijk de rand van het vrijboorddek, wordt ondergedompeld wanneer het schip een helling heeft van 5 graden of minder, moet het water uit de omsloten laadruimten op het schottendek, respectievelijk het vrijboorddek, worden afgevoerd naar een geschikte ruimte of ruimten van voldoende capaciteit, die zijn voorzien van een waarschuwingsinstallatie voor een te hoog waterpeil, en zijn uitgerust met passende voorzieningen voor afvoer naar buitenboord. Daarnaast moet erop worden toegezien dat:

.1 het aantal, de afmetingen en de plaatsing van de spuipijpen zodanig zijn dat er niet te veel vrij water wordt verzameld;

.2 met de voorzieningen voor pompen die krachtens dit voorschrift zijn vereist voor passagiersschepen of vrachtschepen, naargelang hetgeen het geval is, rekening wordt gehouden met de eisen voor een vast aangebrachte brandblusinstallatie die water onder druk sproeit;

.3 met benzine of andere gevaarlijke stoffen verontreinigd water niet wordt afgevoerd naar machineruimten of andere ruimten waarin ontstekingsbronnen aanwezig kunnen zijn; en

.4 wanneer de omsloten laadruimte is beschermd door middel van een kooldioxidebrandblusinstallatie, de dekspuipijpen zijn uitgerust met middelen die het vrijkomen van verstikkende gassen voorkomen.

2.6.3. Voorzieningen voor de waterafvoer in gesloten voertuig- en ro-ro-ruimten en ruimten van bijzondere aard moeten tevens voldoen aan de voorschriften II-2/20.6.1.4 en II-2/20.6.1.5.

3 Passagiersschepen

3.1 De krachtens paragraaf 2.1 vereiste lenspompinrichting moet kunnen functioneren onder alle omstandigheden die in de praktijk na een calamiteit kunnen voorkomen, ongeacht of het schip recht ligt dan wel slagzij maakt. Voor dit doel zullen in het algemeen zuigpijpen naar de zijden van de afdelingen moeten worden aangebracht, met uitzondering van smalle afdelingen aan het scheepseinde waar één zuigpijp voldoende kan zijn. In afdelingen van bijzondere vorm kunnen extra zuigpijpen vereist worden. Maatregelen moeten worden getroffen, waardoor water in de afdeling de weg naar de zuigpijpen kan vinden. Waar de Administratie ervan overtuigd is dat in bepaalde afdelingen een lensinrichting ongewenst zou zijn, kan zij toestaan dat deze achterwege blijft, indien door berekeningen gemaakt in overeenstemming met de voorwaarden in de voorschriften 7 en 8 wordt aangetoond dat de overlevingskans van het schip daardoor niet wordt aangetast.

3.2 Er moeten ten minste drie op de hoofdlensleiding aangesloten werktuiglijke lenspompen aanwezig zijn, van welke één door de voortstuwingswerktuigen mag worden gedreven. Wanneer het lenspompgetal 30 of groter is, moet een extra onafhankelijke werktuiglijke pomp aanwezig zijn.

Het lenspompgetal moet als volgt worden berekend:

waarbij:

L | = | de lengte van het schip (meters), als omschreven in voorschrift 2;

M | = | de inhoud van de machineruimte (kubieke meters), als omschreven in voorschrift 2, die zich onder het schottendek bevindt; vermeerderd met de inhoud van alle vaste brandstofoliebunkers die zich boven de binnenbodem en vóór of achter de machineruimte bevinden;

P | = | de volledige inhoud van de onder het schottendek gelegen ruimten voor passagiers en bemanning (kubieke meters), die zijn aangebracht ten behoeve van de accommodatie en het gebruik door passagiers en bemanning, met uitzondering van bagageruimten, bergplaatsen en provisieruimten;

V | = | de gehele inhoud van het schip onder het schottendek (kubieke meters);

P1 | = | KN,

waarbij:

N = het aantal passagiers dat het schip mag vervoeren; en

K = 0,056L

Wanneer de waarde van KN evenwel groter is dan de som van P en de gehele inhoud van de werkelijke passagiersruimten boven het schottendek, moet voor P1 die som of de waarde van twee derde KN worden genomen, naargelang welke van de twee de grootste is.

3.3 Waar zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten werktuiglijke lenspompen worden geplaatst in afzonderlijke waterdichte afdelingen die zodanig opgesteld of gelegen zijn dat zij niet door eenzelfde averij kunnen vollopen. Indien de hoofd- en hulpwerktuigen voor de voortstuwing en de ketels in twee of meer waterdichte afdelingen zijn geplaatst, moeten de pompen die als lenspomp kunnen dienen zoveel mogelijk over deze afdelingen worden verdeeld.

3.4 Op een schip met een lengte L van 91,5 meter en meer of met een lenspompgetal, berekend in overeenstemming met paragraaf 3.2, van 30 of groter, moet de inrichting zodanig zijn dat ten minste één werktuiglijke lenspomp beschikbaar blijft voor gebruik in alle omstandigheden waaronder het schip kan vollopen en waartegen het bestand moet zijn, en voor schepen waarop de bepalingen van voorschrift II-1/1.1.1.1 van toepassing zijn, in alle omstandigheden waaronder het schip kan vollopen die verkregen worden wanneer geringe schade in aanmerking wordt genomen zoals aangeduid in voorschrift 8, en wel als volgt:

.1 één van de voorgeschreven lenspompen een noodpomp is van een type dat onder water op betrouwbare wijze werkt, en die wordt aangedreven door een zich boven het schottendek bevindende krachtbron; of

.2 de lenspompen met hun krachtbronnen zijn zodanig over de lengte van het schip geplaatst dat ten minste één pomp in een onbeschadigde afdeling beschikbaar is.

3.5 Met uitzondering van de aanvullende pompen die alleen voor de voor- of achterpiek zijn bestemd, moet elke voorgeschreven lenspomp zo zijn ingericht dat zij water kan pompen uit elke ruimte die ingevolge paragraaf 2.1 gelensd moet kunnen worden.

3.6 Elke werktuiglijke lenspomp moet water door de voorgeschreven hoofdlensleiding kunnen pompen met een snelheid van niet minder dan 2 meter per seconde. Onafhankelijke werktuiglijke lenspompen die in machineruimten zijn opgesteld, moeten van rechtstreekse zuigpijpen op deze afdelingen zijn voorzien, doch niet meer dan twee dergelijke zuigpijpen zijn per afdeling vereist. Waar twee of meer dergelijke zuigpijpen aanwezig zijn, moet er ten minste één aan elke zijde van het schip zijn aangebracht. De Administratie kan voorschrijven dat onafhankelijke werktuiglijke lenspompen opgesteld in andere afdelingen eveneens van afzonderlijke rechtstreekse zuigpijpen worden voorzien. De rechtstreekse zuigaansluitingen moeten doelmatig zijn ingericht en de diameter van deze leidingen in een machineruimte mag niet kleiner zijn dan die van de hoofdlensleiding.

3.7.1 Behalve de rechtstreekse zuigaansluiting of zuigaansluitingen, voorgeschreven in paragraaf 3.6, moet in de machineruimte een rechtstreekse zuigpijp van de hoofdcirculatiepomp geleid naar een voldoende laag gelegen punt in deze machineruimte en voorzien van een afsluiter met terugslagklep, zijn aangebracht. Op stoomschepen moet de diameter van deze zuigpijp ten minste tweederde van die van de zuigopening van de pomp zijn, terwijl aan boord van motorschepen deze diameter gelijk moet zijn aan die van de zuigopening van de pomp.

3.7.2 Indien de hoofdcirculatiepomp naar het oordeel van de Administratie voor dit doel niet geschikt is, moet een rechtstreekse noodlenszuigpijp worden geleid van de grootste onafhankelijk werktuiglijk gedreven pomp die beschikbaar is naar een voldoende laag gelegen punt in de machineruimte; de diameter van deze zuigpijp moet gelijk zijn aan die van de zuigopening van de gebruikte pomp. De capaciteit van de aldus aangesloten pomp moet die van een voorgeschreven lenspomp overtreffen in een mate die door de Administratie voldoende wordt geacht.

3.7.3 De klepstangen van de zee-inlaat en van de rechtstreekse zuigafsluiters moeten voldoende tot boven de machinekamervloer reiken.

3.8 Alle lenszuigaansluitingen tot aan de aansluiting tot de pompen moeten gescheiden zijn van andere leidingen.

3.9 De diameter d van de hoofdlensleiding moet zijn berekend volgens de hierna volgende formules. De werkelijke inwendige diameter van de hoofdlensleiding mag echter worden afgerond tot de dichtstbijzijnde standaardpijpdiameter die voor de Administratie aanvaardbaar is:

waarbij:

d de inwendige diameter van de hoofdlensleiding is (in mm);

L en B de lengte en de breedte van het schip zijn (in meters) als omschreven in voorschrift 2; en

D de holte van het schip naar de mal tot het schottendek is (in meters), mits, op een schip dat een omsloten, zich over de gehele lengte van het schip uitstrekkende laadruimte op het schottendek heeft, waaruit het water binnenboord wordt afgevoerd in overeenstemming met de vereisten van paragraaf 2.6.2, D wordt gemeten tot aan het volgende dek boven het schottendek. Wanneer de omsloten laadruimten een kleinere lengte bestrijken, is D de holte van het schip naar de mal tot het schottendek plus lh/L, waarbij 1 en h de totale lengte en hoogte van de omsloten laadruimten (in meters) zijn.

De diameter van de lenspijpaftakkingen moet voldoen aan de door de Administratie gestelde eisen.

3.10 Maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat een afdeling waarop een lenszuigpijp is aangesloten, volloopt ten gevolge van breken of beschadigen van deze pijp in een andere afdeling bij een aanvaring of bij aan de grond lopen. Hiertoe moet, wanneer een dergelijke pijp op enige plaats dichter dan een vijfde van de breedte van het schip (als omschreven in voorschrift 2 en gemeten loodrecht op hart schip ter hoogte van de diepste indelingslastlijn) van het scheepsboord of in een kokerkiel is gelegen, in de pijp binnen de afdeling welke het open eind van de pijp bevat, een terugslagklep zijn aangebracht. Voor schepen waarop de bepalingen van voorschrift II-1/1.1.1.1 van toepassing zijn wordt de diepste indelingswaterlijn genomen als de diepste indelingsdiepgang.

3.11 De verdeelkasten, kranen en afsluiters die in verbinding staan met de lensinrichting, moeten zodanig zijn opgesteld dat in geval van vollopen één van de lenspompen in elke afdeling kan pompen; bovendien mag schade aan een pomp of aan de aansluiting van een pomp aan de hoofdlensleiding, ontstaan buiten de lijn getrokken op een afstand van een vijfde van de breedte van het schip, de lensinrichting niet buiten werking stellen. Indien er slechts één pijpleidingstelsel door alle pompen wordt bediend, moeten de nodige kleppen die de lenszuigpijpen beheersen, boven het schottendek bediend kunnen worden. Wanneer behalve de hoofdlensinrichting ook een noodlensinrichting aanwezig is, moet deze onafhankelijk zijn van de hoofdinrichting en zo zijn ingericht dat een pomp op elke afdeling kan pompen wanneer een afdeling volloopt, als aangegeven in paragraaf 3.1; in dat geval behoeven alleen de kleppen noodzakelijk voor de bediening van de noodinrichting boven het schottendek te kunnen worden bediend.

3.12 De bedieningsinrichtingen van alle kranen en kleppen, genoemd in paragraaf 3.11, die boven het schottendek kunnen worden bediend, moeten daar ter plaatse duidelijk zijn gemerkt en voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of zij geopend of gesloten zijn.

4 Vrachtschepen

Er moeten ten minste twee op de hoofdlensinrichting aangesloten, werktuiglijke lenspompen aanwezig zijn, van welke er één door de voortstuwingswerktuigen mag worden aangedreven. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat de veiligheid van het schip niet wordt aangetast, kunnen lenspompinrichtingen in bepaalde afdelingen achterwege blijven.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl