Voorschrift 31 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
MACHINE-INSTALLATIES
1 Hoofd- en hulpwerktuigen welke essentieel zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het schip moeten zijn voorzien van doeltreffende middelen voor het in werking stellen en bedienen ervan.
2 Indien de voortstuwingsinstallatie op afstand vanaf de brug kan worden bediend en het de bedoeling is dat de ruimten voor machines zijn bemand is het hiernavolgende van toepassing:
1. de snelheid, de richting van de stuwkracht en, waar van toepassing, de spoed van de schroef moeten volledig vanaf de brug te regelen zijn onder alle vaaromstandigheden, inclusief manoeuvreren.
2. afstandbediening moet, voor elke schroef apart, plaatsvinden door een bedieningssysteem dat zodanig is ontworpen en uitgevoerd dat de werking ervan geen speciale aandacht vereist ten aanzien van de werking van de voortstuwingsinstallatie. Indien meerdere schroeven tegelijkertijd moeten werken, kunnen zij met één bedieningssysteem worden bediend.
3. het hoofdvoortstuwingswerktuig moet zijn voorzien van een noodstopinrichting op de brug die onafhankelijk is van de brugbediening;
4. manoeuvreerorders vanaf de brug moeten, al naar gelang, worden aangegeven in de controlekamer van de hoofdvoortstuwingsinstallatie, of op de manoeuvreerstand;
5. afstandbediening van de voortstuwingswerktuigen mag slechts op één plaats tegelijk mogelijk zijn; op die bedieningsplaatsen mogen met elkaar verbonden onderstations aanwezig zijn. Op elke bedieningsplaats moet te zien zijn vanuit welke bedieningsplaats de voortstuwingswerktuigen worden bediend. Het overbrengen van de bediening tussen brug en machinekamers dient alléén in de hoofdmachinekamer of de controlekamer mogelijk te zijn. Dit systeem dient voorzieningen te omvatten om te voorkomen dat de stuwkracht aanzienlijk verandert, wanneer de bediening van de ene plaats naarde andere wordt overgeschakeld;
6. het moet mogelijk zijn de voortstuwingswerktuigen lokaal te bedienen, ook in geval van storing in enig deel van de afstandbediening;
7. het afstandbedieningsysteem moet zodanig zijn ontworpen dat in geval van het uitvallen hiervan een alarm wordt gegeven. Tenzij de Administratie dit niet praktisch uitvoerbaar acht, moeten de ingestelde snelheid en richting van de stuwdruk van de schroef gehandhaafd blijven totdat de lokale bediening in bedrijf is;
8. op de brug dienen aanwijsinstrumenten aanwezig te zijn voor:
8.1. schroeftoerental en -draairichting, in geval van vaste schroeven.
8.2. schroeftoerental en spoed in geval van verstelbare schroeven;
9. er dient een alarm aanwezig te zijn zowel op de brug als in de ruimte voor machines dat aangeeft wanneer de aanzetluchtdruk te laag is en dat aanspreekt op een niveau waarbij aanzetten van de hoofdmotor nog mogelijk is.
Indien de afstandbediening van de voortstuwingswerktuigen is ingericht voor automatisch aanzetten, dient het aantal keren waarop automatische achtereenvolgende, vergeefse aanzetpogingen kunnen worden verricht beperkt te zijn en wel zodanig dat voldoende aanzetluchtdruk aanwezig blijft voor het lokaal aanzetten.
3 Indien de hoofdvoortstuwingswerktuigen met bijbehorende hulpwerktuigen, met inbegrip van de hoofdgeneratoren in meerdere of mindere mate zijn voorzien van automatische bediening of afstandbediening en voortdurend met de hand vanuit een controlekamer, kunnen worden gecontroleerd dienen de controlevoorzieningen zodanig te zijn ontworpen, uitgerust en geïnstalleerd dat de werking van de machine-installatie net zo veilig en doeltreffend is alsof deze installatie onder direct toezicht stond.
Hiertoe gelden de Voorschriften 46 tot 50, voor zover van toepassing. Speciale aandacht dient te worden geschonken aan de beveiliging van zodanige ruimten tegen brand en vollopen.
4 In het algemeen dienen automatische systemen voor het aanzetten, alsmede bedienings- en controlesystemen te zijn voorzien van een mogelijkheid om deze systemen met de hand te bedienen. Defecten in enigerlei gedeelte van deze systemen mogen het gebruik van handbediening niet uitschakelen.
5 Schepen gebouwd op of na 1 juli 1998, moeten als volgt voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1 tot en met 4, als gewijzigd:
.1 paragraaf 1 wordt vervangen door:
„1. Hoofd- en hulpwerktuigen die essentieel zijn voor de voortstuwing, bediening en veiligheid van het schip moeten zijn voorzien van doeltreffende middelen voor het in werking stellen en bedienen ervan. Alle bedieningssystemen die essentieel zijn voor de voortstuwing, bediening en veiligheid van het schip moeten onafhankelijk zijn of zodanig zijn ontworpen dat storing van een systeem niet leidt tot verstoring van het functioneren van een ander systeem.”;
.2 in de tweede en derde regel van paragraaf 2 worden de woorden „en het de bedoeling is dat de ruimten voor machines zijn bemand” geschrapt;
.3 de eerste zin van paragraaf 2.2 wordt vervangen door:
„.2 De bediening moet, voor elke schroef apart, plaatsvinden door één bedieningssysteem, waarbij alle gerelateerde bedieningshandelingen, waar nodig met inbegrip van die van voorzieningen ter voorkoming van overbelasting van de voortstuwingsinstallatie, automatisch worden uitgevoerd.”;
.4 paragraaf 2.4 wordt vervangen door:
„.4 Manoeuvreerorders vanaf de brug moeten worden aangegeven in de controlekamer van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en op de manoeuvreerstand;”
.5 aan het einde van paragraaf 2.6 wordt de volgende nieuwe zin toegevoegd: „Het moet voorts mogelijk zijn de hulpwerktuigen die essentieel zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het schip op of bij de desbetreffende werktuigen te bedienen”; en
.6 de paragrafen 2.8, 2.8.1 en 2.8.2 worden vervangen door:
„.8 Op de brug, in de controlekamer van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en op de manoeuvreerstand moeten aanwijsinstrumenten aanwezig zijn voor:
.8.1 schroeftoerental en -draairichting, in geval van vaste schroeven; en
.8.2 schroeftoerental en spoed in geval van verstelbare schroeven;”.
6 Schepen gebouwd op of na 1 juli 2004 moeten als volgt voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1 tot en met 5, als gewijzigd:
.1 de volgende nieuwe subparagraaf .10 wordt toegevoegd aan paragraaf 2:
„.10 automatiseringssystemen moeten zodanig worden ontworpen dat in geval van dreigende vertraging of uitschakeling van het voortstuwingssysteem de officier belast met de brugwacht tijdig wordt gewaarschuwd, zodat de navigatieomstandigheden in een noodsituatie kunnen worden beoordeeld. De systemen moeten in het bijzonder zorgen voor controle, monitoring, melding, alarmering en voor de uitvoering van veiligheidsmaatregelen om de voortstuwing te vertragen of te stoppen, terwijl de officier belast met de brugwacht de gelegenheid wordt geboden handmatig in te grijpen, behalve in gevallen waarin handmatig ingrijpen binnen korte tijd leidt tot volledige uitval van de motor en/of de voortstuwingsapparatuur, bijvoorbeeld in geval van te hoge snelheid.”
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0