wetzoeker

Voorschrift 26 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

MACHINE-INSTALLATIES

1 De werktuigen, ketels en overige drukvaten, alsmede bijbehorende pijpleidingsystemen en appendages moeten van een zodanig ontwerp en een zodanige constructie zijn, dat zij geschikt zijn voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd en dienen zodanig te zijn opgesteld en beveiligd dat hierdoor personen aan boord zo min mogelijk gevaar lopen, waarbij naar behoren aandacht wordt geschonken aan bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaarlijke zaken. Bij het ontwerp dient aandacht te worden geschonken aan het soort materiaal dat in de constructie wordt toegepast, aan het gebruik waarvoor de uitrusting is bedoeld, alsook aan de omstandigheden waaronder en de omgeving waarin deze aan boord zal moeten functioneren.

2 De Administratie dient in het bijzonder te letten op de betrouwbaarheid van enkelvoudig aanwezige onderdelen welke essentieel zijn voor de voortstuwing.

De Administratie kan een aparte, aanvullende voortstuwingsmogelijkheid eisen, voldoende om het schip een snelheid te geven waarbij besturing mogelijk is, in het bijzonder in gevallen waarin het ongebruikelijke installaties betreft.

3 Er moeten middelen aanwezig zijn waarmede een normale werking van de voortstuwingswerktuigen gehandhaafd kan blijven of kan worden hersteld, ook indien een van de essentiële hulpwerktuigen uitvalt.

Speciale aandacht dient te worden geschonken aan het uitvallen van:

1. een generatorset die als elektrische hoofdkrachtbron dient;

2. de stroomvormers en het stroomsysteem;

3. het ketelvoedingwatersysteem;

4. de brandstofsystemen voor ketels of motoren;

5. het smeeroliesysteem met pompen en appendages;

6. het koelwatersysteem met pompen en appendages;

7. een condensaatpomp en middelen om het vacuüm in de condensors te handhaven;

8. de mechanische luchtvoorziening voor de ketels;

9. een luchtcompressor en luchtvat voor het aanzetten of voor het regelen;

10. het hydraulische, pneumatische of elektrische systeem voor het regelen van hoofdvoortstuwingswerktuigen met inbegrip van verstelbare schroefsystemen.

De Administratie kan echter, met inachtneming van de algehele veiligheid, genoegen nemen met een gedeeltelijke vermindering van de voortstuwingscapaciteit ten opzichte van de normale werking.

4 Er dienen voorzieningen aanwezig te zijn, door middel waarvan de werktuiglijke installaties zonder hulp van buitenaf in bedrijf kan worden gesteld vanuit doodschip.

5 Alle ketels, delen van werktuigen, alle stoomsystemen, hydraulische, pneumatische en andere systemen, alsmede hun appendages die aan inwendige druk onderhevig zijn, dienen naar behoren te worden beproefd, ook onder druk, alvorens zij voor de eerste keer in gebruik worden gesteld.

6 Hoofdvoortstuwingswerktuigen en alle hulpwerktuigen die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het schip dienen, zoals zij in het schip zijn aangebracht, in staat te zijn te functioneren wanneer het schip recht ligt en bij een slagzij van 15 graden naar beide zijden onder statische omstandigheden en van 22½ graden naar beide zijden onder dynamische omstandigheden (rollen), terwijl het te gelijker tijd een dynamische stampbeweging van 7,5 graden over boeg of achtersteven maakt. De Administratie kan afwijkingen van deze hoeken toestaan afhankelijk van het type schip, afmeting en bedrijfsomstandigheden van het schip.

7 Er dienen voorzieningen te worden getroffen om het schoonhouden, het nazien en het onderhoud van hoofdvoortstuwingswerktuigen en hulpwerktuigen, met inbegrip van ketels en drukvaten zo eenvoudig mogelijk te maken.

8 Speciale aandacht dient te worden gegeven aan het ontwerp, de constructie en installatie van voortstuwingssystemen opdat trillingen hierin tijdens normaal gebruik geen bovenmatige spanningen veroorzaken.

9 Niet-metalen expansieverbindingsstukken in leidingsystemen, indien door het scheepsboord gevoerd waarbij zowel de doorvoering als het niet-metalen expansieverbindingsstuk zich onder de hoogst gelegen lastlijn bevinden, moeten worden geïnspecteerd in het kader van de in voorschrift I/10(a) voorgeschreven onderzoeken en zonodig worden vervangen, of zo vaak worden vervangen als aanbevolen door de fabrikant.

10 Bedienings- en onderhoudsinstructies en technische tekeningen van de werktuigkundige installaties en uitrusting van het schip die essentieel zijn voor de veilige bedrijfsvoering aan boord moeten zijn opgesteld in een taal die begrijpelijk is voor de officieren en bemanningsleden die deze informatie moeten begrijpen voor de uitvoering van hun taken.

11 De plaatsing en inrichting van luchtpijpen voor de brandstofoliedag-, brandstofoliebezink- en smeerolietanks moeten zodanig zijn dat indien een luchtpijp breekt, niet direct het risico ontstaat dat overkomend zeewater of regenwater binnendringen. Twee brandstofoliedagtanks voor elk type brandstof dat aan boord wordt gebruikt voor de voortstuwing en vitale systemen of gelijkwaardige inrichtingen moeten aanwezig zijn op elk nieuw schip met een capaciteit om de voortstuwingsinstallatie bij maximum continu vermogen en een normale operationele belasting van de elektrische installatie tijdens zeebedrijf tenminste acht uur in bedrijf te houden. Deze paragraaf is alleen van toepassing op schepen gebouwd op of na 1 juli 1998.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl